direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Luchthavengebied Noord
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.BP00091-0002

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding bestemmingsplan

In 2012 is een tijdelijk vergunning verleend voor het houden van opleidingen, trainingen en oefeningen en onderzoek voor de hulpverlenende diensten binnen een veiligheidscentrum, gelegen in het noordelijk deel van de luchthaven Twente. Deze voorziening, die bekend is onder de naam Twente Safety Campus, is tijdelijk vergund tot en met 31 december 2014. De ontwikkeling zou een permanente status krijgen in het bestemmingsplan Luchthaven Twente. Doordat de inspanningen om tot een commerciële burgerluchthaven te komen, zijn stopgezet wordt dat plan niet verder in procedure gebracht. Scenario's worden uitgewerkt om tot een andere invulling te komen, handhaving van de Twente Safety Campus is daarbij het uitgangspunt. Teneinde ook vanaf 1 januari 2015 een ruimtelijk-juridische basis te hebben voor de Twente Safety Campus is dit bestemmingsplan opgesteld. Hiermee wordt de Twente Safety Campus conform de bestaande vergunning voor wat betreft locatie en gebruik in de bestaande bebouwing van een positieve bestemming voorzien. Vooruitlopend op de nieuwe planvoming voor het terrein van de luchthaven is het wenselijk om de overige leegstaande gebouwen en niet benutte gronden in het noordelijk deel van het luchthaventerrein te kunnen aanwenden voor commerciele doeleinden. Dan gaat het om opslag in bestaande bebouwing (niet zijnde gevaarlijke goederen, vuurwerk e.d.) en kleinschalige culturele activiteiten (filmopnamen, atelierruimten e.d., niet zijnde evenementen) Het voorliggende bestemmingsplan maakt dit mogelijk. Het bestemmingsplan is te beschouwen als een partiele herziening van de vigerende bestemmingsplannen, nu het de beoogde nieuwe functies mogelijk maakt als toevoeging aan het bestaande gebruik ('vliegveld' en 'militair terrein').

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

De gemeente Enschede is ingedeeld in stadsdelen, wijken en buurten. Het gebied waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, is gelegen in het stadsdeel Noord en maakt deel uit van CBS-buurt Buurtschap Lonneker West van Enschede. Het gebied wordt geheel ontsloten door het luchthaventerrein en de gemeentegrens met Dinkelland. De plangrens van onderhavig bestemmingsplan is middels een zwarte bolletjeslijn weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00091-0002_0001.png"

Figuur 1.1. Begrenzing plangebied

1.3 Geldende juridische regelingen

Voor het grootste deel van het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de voormalige gemeente Weerselo, waarin de betreffende gronden de bestemming 'Militair terrein' hebben. Dit bestemmingsplan is op 22 augustus 1989 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Weerselo vastgesteld.

Voor een klein deel van het plangebied, met name de ontsluitingsweg, geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 1996', waarin de betreffende gronden de bestemming 'Vliegveld' hebben. Dit bestemmingsplan is op 8 september 1997 door de gemeenteraad van Enschede vastgesteld en op 7 april 1998 door Gedeputeerde Staten van Overijssel goedgekeurd. Het bestemmingsplan is op 24 oktober 2001 onherroepelijk geworden.

1.4 Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor het bestemmingsplan wordt gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (hierna Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna Bro).

Wet ruimtelijke ordening (Wro)

De Wro schrijft voor dat de gemeenteraad "voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vaststelt, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in dat plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven".


Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

In het Bro is de vormgeving van een bestemmingsplan en andere ruimtelijke plannen geregeld, alsmede de inhoud en wijze van de vast te leggen aspecten en de onderwerpen die in de afweging betrokken moeten worden (artikelen 3.1.2 t/m 3.1.7 en artikelen 3.2.1 t/m 3.2.4 Bro). In artikel 3.1.6 van het Bro is bepaald dat ieder bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. De toelichting vermeldt wat de uitkomsten zijn van onderzoeken over ecologie/flora/fauna, hoe het is gesteld met de waterhuishouding, of de Wet milieubeheer van toepassing is voor met name een milieueffectrapport (MER), of sprake is van archeologische/cultuurhistorische waarden, welke milieukwaliteitseisen een rol spelen wat betreft lucht, bodem en geluid en welk beleid van gemeente, provincie en Rijk van toepassing is.

Een bestemmingsplan is om die reden een juridisch ruimtelijk beleidsdocument, waarin de bestemming van de gronden met inbegrip van de daarop van toepassing zijnde gebruiks- en bouwregels en de daarop aanwezige bebouwing worden vastgelegd, maar waarin ook ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden zijn opgenomen.

1.5 Adviezen, vooroverleg en procedure

Adviezen

Het is voor burgemeester en wethouders gebruikelijk om, voorafgaand aan het in procedure brengen van een bestemmingsplan, advies te vragen aan het binnen het plangebied werkzame erkende wijkorgaan. Dit is geen wettelijke procedurestap maar een binnen de gemeente Enschede gehanteerde werkwijze die is vastgelegd in de Regeling Wijkorganen 2003 en nader uitgewerkt in de notitie Wijkorganen en Adviesafspraken.

Binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Luchthavengebied Noord ' is het erkende wijkorgaan 'Dorpsraad Lonneker' actief.

De Dorpsraad Lonneker is in het proces van het bestemmingsplan 'Luchthaven Twente' meerdere malen om advies gevraagd. Ook heeft hij van de mogelijkheid gebruik gemaakt om een zienswijze kenbaar te maken. Ten aanzien van het veiligheidscentrum heeft de dorpsraad telkens aangegeven veiligheidsactiviteiten behorende bij de luchthaven begrijpelijk te vinden, maar een algemeen trainingscentrum ongewenst te vinden binnen de beperkte ruimte tussen de drie steden en grenzend aan natuurgebieden.

Vooroverleg

In het Bro is voorgeschreven (artikel 3.1.1) dat burgemeester en wethouders voorafgaand aan het in procedure brengen van een nieuw bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken andere gemeenten, het waterschap, de provincie en met die diensten van het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De provincie Overijssel en het Rijk hebben beleid vastgesteld, waarin is bepaald dat zij een bestemmingsplan uitsluitend voor vooroverleg willen ontvangen, indien dat ontwikkelingen mogelijk maakt die raken aan bepaalde ruimtelijke belangen van de provincie of het Rijk.

De ontwikkeling van de Twente Safety Campus was opgenomen in het bestemmingsplan Luchthaven Twente dat voor vooroverleg aan verschillende instanties is aangeboden. Aangezien de beoogde ontwikkeling in dat bestemmingsplan overeenkomt met hetgeen in het bestemmingsplan Luchthavengebied Noord mogelijk wordt gemaakt (in het bestemmingsplan Luchthaven Twente waren de mogelijkheden zelfs groter) worden de vooroverlegreacties op het bestemmingsplan Luchthaven Twente van toepassing verklaard op dit bestemmingsplan (voor zover relevant voor de Safety Campus). Voor het verslag van het vooroverleg zie  Bijlage 1. De overige ontwikkelingen (opslag en kleinschalige culturele activiteiten) zijn van dermate bescheiden omvang dat belangen van andere overheden of het waterschap niet in het geding zijn.

Procedure

Vooraankondiging

Burgemeester en wethouders informeren burgers en anderen over het voornemen een bestemmingsplan voor te bereiden op verzoek van een derde of uit eigen beweging. Dat voornemen wordt gepubliceerd in het gemeentelijk huis-aan-huisblad en op internet. In Enschede wordt geen gelegenheid geboden om zienswijzen hieromtrent naar voren te brengen (artikel 1.3.1 Bro).

In dit geval is het voornemen om een nieuw bestemmingsplan genaamd: 'Luchthavengebied Noord ' in voorbereiding te nemen op 27 augustus 2014 gepubliceerd in het gemeentelijk blad 'Huis aan Huis' en op de website van de gemeente Enschede.

Terinzagelegging ontwerpplan

De Wro bepaalt dat op de procedure voor de vaststelling van een bestemmingsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Dit betekent dat het ontwerp van een bestemmingsplan gedurende een periode van zes weken ter inzage moet worden gelegd. Deze terinzagelegging biedt iedereen de mogelijkheid om gedurende die periode zienswijzen naar voren te brengen bij de gemeenteraad. Die terinzagelegging wordt gepubliceerd in de Nederlandsche Staatscourant en in het gemeentelijk blad "Huis aan Huis" en langs “elektronische weg”, waarmee het internet wordt bedoeld.

De aankondiging van de terinzagelegging van dit ontwerpbestemmingsplan Luchthavengebied Noord ” en de mogelijkheid om tijdens die periode een zienswijze naar voren te brengen is gepubliceerd in "Huis aan Huis", in de Staatscourant, op de website van de gemeente Enschede en op de website www.officielebekendmakingen.nl.

Zienswijzen

Van de eventueel ingekomen zienswijzen en de gemeentelijke beantwoording daarvan wordt een verslag gemaakt dat als bijlage bij het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan wordt gevoegd.

Rechtsbescherming

Na vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad staat voor belanghebbenden de mogelijkheid open om bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep in te stellen tegen het vaststellingsbesluit.

Hoofdstuk 2 Planologisch beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het ruimtelijk relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en doorvertaald op de verbeelding en in de regels.

2.1 Ruimtelijk beleid en regels van het Rijk

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De structuurvisie is sinds maart 2012 van kracht en vormt de kapstok voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR beschrijft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland in de richting van het jaar 2040. Eén van de kernbegrippen in de SVIR is decentralisatie. Het kabinet wil beslissingen over ruimtelijke ontwikkelingen dichter bij burgers en bedrijven brengen. Provincies en gemeenten krijgen letterlijk de ruimte om maatwerk te leveren voor regionale opgaven.

Het kabinet heeft dertien nationale (gelijkwaardige) belangen opgesteld. Dit zijn concrete belangen waarvoor het Rijk verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Voor de burgerluchtvaart zijn de luchthaven Schiphol, de overige burgerluchthavens Rotterdam, Lelystad, Eelde, Maastricht, de luchthavens Eindhoven (in burgermedegebruik) en Twente en het civiele luchtruim van nationale betekenis. De (internationale) achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost-Nederland lopen, zijn van internationaal belang voor het functioneren van de mainports en daarmee de topsector logistiek. Een burgerluchthaven Twente kan in regionaal ruimtelijk-economisch perspectief bijdragen aan de internationale bereikbaarheid van de Euregio.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening

De basis van juridische borging van de realisatie van de nationale belangen ligt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Bro.

Het Barro is in werking sinds 2011 en bevat onderwerpen die van rijksbelang zijn, zoals defensie, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening en toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet. Per onderwerp bevat het Barro regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Binnen drie jaar moet het onderwerp zijn opgenomen in een bestemmingsplan.

Voor het plangebied zijn o.a. de beperkingenzones vanwege Defensie van belang.

2.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor ondermeer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

Trede 1 - Is er een regionale behoefte?

Ja. Het veiligheidscentrum is reeds een bestaande functie binnen het plangebied. Het is een unieke functie voor de regio. Met het bestaan van het centrum in de afgelopen jaren is de behoefte aangetoond.

Trede 2 - Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?

Ja. Het veiligheidscentrum is reeds een bestaande functie binnen het plangebied en betreft dus geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat het plan binnen stedelijk gebied hergebruik van bestaande voorzieningen betreft. Voor het veiligheidscentrum, de opslag en kleinschalige culturele activiteiten wordt namelijk gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing en infrastructuur op het luchthaventerrein.

2.1.4 Conclusie

Op basis van bovenstaande is aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het rijksbeleid.

2.2 Ruimtelijk beleid en regels van de provincie Overijssel

2.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

Het ruimtelijk beleid van de provincie Overijssel is verwoord in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening die Provinciale Staten van Overijssel op 1 juli 2009 hebben vastgesteld en geactualiseerd bij besluit van 3 juli 2013. De Omgevingsvisie is een integrale visie met de beleidsambities en doelstellingen die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.

De hoofdambitie van de visie is een toekomst vaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. In het beleid van de provincie staat daarom de zorg voor ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid centraal. De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door in te zetten op het beschermen van bestaande kwaliteiten en deze te verbinden met nieuwe ontwikkelingen. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving staat voorop, in combinatie met een goed vestigingsklimaat, een goede woonomgeving en een fraai buitengebied. De essentiële gebiedskenmerken zijn daarbij het uitgangspunt.

Om deze ambities waar te kunnen maken bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. De filosofie van dit model is dat de provincie samen met partners een gezamenlijke visie of doel deelt en dat vervolgens elke partij in de eigen verantwoordelijkheidssfeer in actie komt. Het uitvoeringsmodel heeft drie niveaus: generieke beleidskeuzes, ontwikkelperspectieven en gebiedskenmerken. Aan de hand van deze niveaus wordt duidelijk of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en of er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe de ontwikkeling uitgevoerd kan worden.

In het resterende deel van deze paragraaf wordt nader ingegaan op de generieke beleidskeuzes, de ontwikkelingsperspectieven en de gebiedskenmerken voor zover van toepassing op het plangebied.


Toetsing aan Omgevingsvisie


Voor de beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn drie onderdelen in het bijzonder van belang in de Omgevingsvisie, namelijk:


1. Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In de Omgevingsvisie is onder meer aangegeven voor het plangebied dat luchthaventerreinen worden benaderd vanuit zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De doelstelling is het transformeren van de huidige vliegbasis tot een vliegwiel voor een economisch sterker en duurzamer Twente. De unieke en centrale ligging in Twente in combinatie met de specifieke kenmerken van het gebied vragen om een ontwikkeling die meerwaarde heeft voor de hele regio.


2. De ontwikkelingsperspectieven

Ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Op de bijbehorende beleidsperspectievenkaart ligt het plangebied in:


Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente

Onderverdeel naar, luchthaven airside, gepland bedrijventerrein en luchthaven overgangsgebied (ondersteunende functies).

Beekdal

Gebieden met veenpakket in de ondergrond en/of laaggelegen gebieden langs waterlopen. Ontwatering niet dieper dan nodig is voor gebruik als grasland.


Mixlandschap

Ruimte voor landbouw, landschapsontwikkeling, natuur, cultuurhistorie, vrije tijd, wonen en overige bedrijvigheid.


3. Gebiedskenmerken

De in de omgevingsvisie beschreven gebiedskenmerken geven inzicht in de kenmerken van verschillende gebieden en wat in die gebiedskenmerken van provinciaal belang is voor hoe een ontwikkeling invulling krijgt. De kwaliteitsopgaven en –voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke inpassing, infrastructuur, milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.


Natuurlijke laag - Dekzandvlakte

De afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen en de daarbij horende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel. Opvallend is de overwegend oost-west georiënteerde richting van ruggen en dalen.


Laag van het agrarisch cultuurlandschap - jonge heide- en broekontginningslandschap

Veel heidegebieden en nattere delen van het landschap zijn ontgonnen en/of vergaand ontwaterd. Daarmee is een nieuw landschap ontstaan. De dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende grote ruimtematen bepalen nu het beeld.


Stedelijke laag - n.v.t.


Lust en leisurelaag - n.v.t.

2.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De hoofdlijnen van de Omgevingsvisie zijn juridisch geborgd in de Omgevingsverordening. Het gaat om de onderwerpen uit de visie die de provincie zo belangrijk vindt dat deze dwingend worden opgelegd.

In de verordening staan algemene regels op het gebied van de ruimtelijke ordening, mobiliteit, milieu, water en bodem. De verordening als juridisch instrument om de doorwerking van provinciaal beleid af te dwingen, is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening geeft regels aan gemeenten die bij het maken van bestemmingsplannen in acht genomen moeten worden.

Toetsing aan Omgevingsverordening

In de in augustus 2013 geconsolideerde Omgevingsverordening zijn o.a. regels opgenomen t.a.v. concentratie, de SER-ladder, zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (titel 2.1), nieuwe bedrijventerreinenlocaties (titel 2.3), cultuurhistorie (titel 2.11), verblijfsrecreatie (titel 2.12) en de ruimtelijke reservering Luchthaven Twente (titel 2.21).

In met name de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze toelichting wordt aangetoond dat de ontwikkeling past binnen de verordening, omdat het uitgangspunt is om bestaande gebouwen en infrastructuur her te gebruiken en dit niet leidt tot milieukundige bezwaren.

2.2.3 Ruimtelijke visie gebiedsontwikkeling luchthaven Twente en omgeving

Op 16 juni 2010 hebben Provinciale Staten van Overijssel de Ruimtelijke visie gebiedsontwikkeling luchthaven Twente vastgesteld. Deze ruimtelijke visie is een uitwerking van de Omgevingsvisie, waarin de provinciale kaders voor de gebiedsontwikkeling luchthaven Twente scherper worden neergezet. De ruimtelijke principes en beleidsuitgangspunten die in de Omgevingsvisie zijn vastgelegd, vormen het vertrekpunt voor het formuleren van de provinciale kaders voor de beoogde herontwikkeling.


De provincie wil vanuit haar rol als gebiedsregisseur heldere kaders meegeven voor deze gebiedsontwikkeling en heeft daartoe een ruimtelijke visie voor de luchthaven Twente en omgeving ontwikkeld. Er is voor gekozen om deze kaderstellende ruimtelijke visie vast te stellen als uitwerking van de Omgevingsvisie, om duidelijk te maken dat het algemene beleid dat in het kader van de Omgevingsvisie is ontwikkeld van toepassing blijft op de beoogde herontwikkeling van het gebied rond luchthaven Twente. Met deze nadere uitwerking voor de gebiedsontwikkeling wordt ingezoomd op de specifieke situatie rond luchthaven Twente. Hierin wordt niet specifiek gesproken over mogelijkheden voor de huidige Safety Campus.

2.2.4 Conclusie

Het voornemen tot hergebruik van de bestaande gebouwen en infrastructuur in het plangebied past binnen het provinciale beleid. De provincie heeft dit op 22 augustus 2014 per e-mail bevestigd: "het plan past in het provinciaal ruimtelijk beleid en dat vanuit het provinciaal belang zijn geen beletselen voor het verdere vervolg van deze procedure".

2.3 Gemeentelijk ruimtelijk relevant strategisch beleid

2.3.1 Toekomstvisie Enschede 2020

De gemeenteraad heeft op 17 december 2007 de Toekomstvisie Enschede 2020 vastgesteld, waarin de hoofdlijnen en doelstellingen voor het gemeentelijke beleid tot 2020 zijn opgenomen. Het document geeft richting aan het beleid, dat nader uitgewerkt wordt in andere beleidsstukken.

De ruimtelijk relevante aspecten van de hoofdlijnen en beleidsdoelstellingen in de Toekomstvisie zijn uitgewerkt in de Herijking van de Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie, die op 22 juni 2009 door de gemeenteraad is vastgesteld. Integraal onderdeel hiervan is een visie op de binnenstad (Binnenstadsvisie) en mobiliteit (Mobiliteitsvisie). Vervolgens is de inhoud van het document Herijking RO-Visie, binnenstadsvisie inclusief mobiliteitsvisie ruimtelijk vertaald naar de Structuurvisie Enschede, die in de volgende paragraaf aan de orde komt.

2.3.2 Structuurvisie Enschede

De Wro verplicht iedere gemeente om voor het hele grondgebied één of meer structuurvisies vast te stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Een soortgelijke verplichting geldt ook voor de provincies en het Rijk.

De gemeentelijke structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van het gebied en de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid. De structuurvisie bevat tevens een uitvoeringsparagraaf waarin de raad aangeeft via welke instrumenten en bevoegdheden de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd zal kunnen worden.

De gemeenteraad van Enschede heeft op 26 september 2011 de Structuurvisie vastgesteld. Hierin is het bestaande ruimtelijk beleid uit diverse gemeentelijke nota's opgenomen en met elkaar in relatie gebracht. Eén van die nota's is de 'Structuurvisie Luchthaven Twente en omgeving'. Deze bevat het ruimtelijke ontwikkelingskader voor de herontwikkeling van het terrein van de voormalige militaire vliegbasis Twente. In de Structuurvisie Enschede wordt verwezen naar deze nota. Darmee blijft deze separate beleidsnota van kracht omdat deze verder strekt dan de Structuurvisie.

In de Structuurvisie gaat het om de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de toekomst op het gebied van wonen, groen, economie, verkeer, milieu en gebiedsontwikkeling. Het doel van de Structuurvisie is het in samenhang presenteren van de hoofdlijnen van sectoraal of gebiedsgericht beleid. Het gaat om de hoofdlijnen van ruimtelijk beleid op de lange termijn, zodat op projectniveau voldoende flexibiliteit bestaat om in te kunnen spelen op veranderingen. De Structuurvisie is continu in ontwikkeling. Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen en nieuw stedelijk beleid wordt de Structuurvisie aangevuld of nader uitgewerkt, zodat het een actueel strategisch en integraal kader vormt.

2.3.3 Structuurvisie Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente e.o.

Specifiek voor de luchthaven heeft de raad op 14 december 2009 de Structuurvisie Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente e.o. vastgesteld. Hierin is gekozen voor optie B (herontwikkeling luchthaven), zie onderstaand figuur 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00091-0002_0002.png" 

Figuur 2.1. Structuurvisie B

In de structuurvisie wordt uitgegaan van transformatie van het voormalige militaire vliegveld tot een burgerluchthaven. In structuurvisie B is de meest in het oog springende invulling de afbakening van het luchthavengebied aan de noordzijde van het gebied. Binnen dit luchthavengebied vindt de inpassing plaats van de start- en landingsbaan, met de bijbehorende luchthavenprogramma's als terminal, vrachtloods, brandweer. Het biedt ook ruimte voor de inpassing van de opstelplatformen voor vliegtuigen. De parkeervoorzieningen passende bij een luchthavenontwikkeling en de leisurefuncties zijn gesitueerd in de nabijheid van de terminal en de leisurefunctie en direct ontsloten vanaf de hoofdverbindingsweg. In de strook voor 'luchthaven voorzieningen / platform gebonden bedrijvigheid' is ruimte gereserveerd voor het huidige brandweeroefencentrum, dat onderdeel uitmaakt van de Safety Campus.

2.3.4 Ontwerp bestemmingsplan Luchthaven Twente

Op 7 maart 2014 is het ontwerp bestemmingsplan Luchthaven Twente gepubliceerd. Dit bestemmingsplan voorziet in de transformatie van de voormalige militaire luchtmachtbasis naar een burgerluchthaven in een robuuste landschappelijke setting. Op het oostelijk deel van het luchthaventerrein is een zone aangegeven waar het veiligheidscentrum gesitueerd kan worden. Binnen het veiligheidscentrum zijn informatieve, educatieve en innovatieve (bedrijfsmatige) veiligheidsactiviteiten en het verzorgen van vakbekwaamheid op het gebied van veiligheid en veiligheidstrainingen gepland. Hierbij is expliciet aangegeven dat voor de exploitatie voorzieningen als ondergeschikte horeca en overnachtingsfaciliteiten deel uitmaken van de ontwikkeling. Om de overgang van de huidige (tijdelijk vergunde) lokatie op het terrein goed te laten verlopen (het is een organisch proces waarbij de exacte invulling pas zichtbaar wordt in de loop van de tijd) is een gebied aangegeven waar tot maximaal vijf jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan een veiligheidscentrum is toegestaan. Hierbij is een belangrijke restrictie dat de activiteiten al eerder gestaakt moeten worden als dit de exploitatie van de luchthaven belemmerd.

De gemeenteraad van Enschede heeft op 30 juni 2014 besloten om de huidige inspanningen voor een commerciële burgerluchthaven stop te zetten. Eén van de concrete vervolgstappen is dat het college van B&W heeft besloten om het bestemmingsplan Luchthaven Twente niet voor vaststelling aan de gemeenteraad aan te bieden. Eenzelfde besluit is in de gemeente Dinkelland genomen.

Hoofdstuk 3 Gebiedsbeschrijving

3.1 Ruimtelijke en functionele karakteristieken en structuur

Algemene beschrijving plangebied

In de driehoek tussen Oldenzaal, Enschede en Hengelo, op de flank van de stuwwal van de Lonnekerberg, liggen de rijksgronden van de voormalige vliegbasis Twente, zie figuur 3.1. Het plangbied voor de nieuwe luchthaven ligt aan de noordkant van het huidige terrein. Het vliegveld ligt strategisch gunstig aan de A1, die in Duitsland overgaat in de A30. Deze snelweg is een internationale route tussen Amsterdam, Berlijn richting Oosteuropa.


afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00091-0002_0003.png"
Figuur 3.1. Innovatiedriehoek Twente


De verbinding van de luchthaven met de andere kernwerkgebieden; Het Kennispark en de Zuidas in Hengelo, zijn minder gunstig. Het vliegveld ligt in een driehoek die de afgelopen decennia weinig stedelijke dynamiek kende. Door de aanwezigheid van hoogwaardige natuurgebieden, landgoederen en het militaire vliegveld met zijn geluidscontouren was de ontwikkeling van Enschede altijd gericht op de binnenstad en richting de A35. Daardoor is de infrastructuur aan de noordzijde van Enschede ook nauwelijks uitgebreid. Dat is beslist ook een bijzondere ruimtelijke kwaliteit van Enschede. De toegangswegen vanuit het Noorden hebben een zeer landelijk karakter en staan daarmee in contrast tot de stedelijke toegangswegen vanaf de A35.


Vliegveld algemeen

De geschiedenis van de vliegbasis begint in 1921, het jaar waarin enkele Twentse notabelen een stuk heidegrond tussen Enschede, Hengelo en Oldenzaal geschikt begonnen te maken voor de sportvliegerij: dit gedeelte lag ter plaatse van de zuidelijke ringweg. In 1931 werd het sportvliegterrein omgevormd tot een volwaardig civiel vliegterrein. Na egalisatie van het terrein werd een grote grasmat van 64 hectare aangelegd aan de oude handelsweg, de Oude Deventerweg. Dit gebied werd begrensd door de Fokkerweg in het oosten, de Oude Deventerweg in het zuiden, de Panderweg in het westen en de Korhaanweg in het noorden. In 1932 werden op het terrein een stationsgebouw en een hangar gebouwd. Er was onder andere tot 1939 een dagelijkse lijnvlucht per KLM naar Amsterdam. In mei 1940 werd het vliegveld door de Duitse Luftwaffe in bezit genomen. Hun 'Fliegerhorst' maakte deel uit van een stelsel van luchtverdediging dat de hele westkust van het Europese vasteland omvatte. De basis voor dat stelsel werd gevormd door de mogelijkheden die de radar bood voor vluchtleiding en gevechtsleiding. Voor dit nieuwe doel werden de bestaande startbanen vergroot en er werden nieuwe banen aangelegd: hiermee kwam de nog steeds bestaande 'Duitse' A tot stand. Om de startbanen kwam een ringweg te liggen. Deze ringweg stond in verbinding met de 55 vliegtuighallen die door de Duitsers werden gebouwd. De Duitsers breidden het vliegveld sterk uit: boeren werden onteigend en landgoed het Slottelmös werd in beslag genomen: het nieuwe hoofdgebouw werd op dit voormalige landgoed gesitueerd. De luchtverkeersleiding kreeg een plaats op het Centrum (Rollfeld). Aan de Lonnekerveldweg werd een gebouw voor de technische dienst opgericht en aan de Fokkerweg verrezen onderkomens voor de manschappen. Onderkomens voor officieren en onderofficieren werden gebouwd op Het Prins Bernardpark (Nordlager), Zuidkamp (Südlager) en Kamp Overmaat. Ten noorden van het Prins Bernardpark werd een radiostation gebouwd.


Ontwikkeling

De ruimtelijke structuur van het vliegveld Twente bestaat uit vier verschillende lagen. De lagen omvatten perioden waarin veranderingen in het landschap en de structuur werden doorgenomen. Het Oude landschap van Vliegbasis Twenthe wordt gekenmerkt door zijn grote mate van openheid. De stichters van het eerste vliegveld benutten de grote openheid en de beschikbaarheid van de in onbruik geraakte woeste grond. In 1921 namen enkele Twentse zakenlieden het initiatief om een veldje voor de vliegsport aan te leggen. Tien jaar later werd dit uitgebreid tot een commercieel vliegveld. Vanuit Twente werd in de jaren '30 een dagelijkse vliegdienst op Schiphol onderhouden. In de nazomer van 1940 werd door de Duitsers begonnen met de grootschalige uitbouw van het vliegveld tot Fliegerhorst. Het gebied werd vergroot van 64 ha tot 1800 ha. Waarbij stedenbouwkundige en architectonische middelen zijn ingezet om de uitbouw te camoufleren, vooral vanuit de lucht. Aan het einde van de oorlog vernietigden bombardementen grote delen van de vliegbasis.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00091-0002_0004.jpg"

Figuur 3.2. Situatie 1954

Direct na de Tweede Wereldoorlog, zie figuur 3.2., werd begonnen met herstelwerkzaamheden en werd het vliegveld eigendom van Defensie. Toen de Koude Oorlog begon werd het vliegveld afgerasterd. Voor die tijd konden bewoners uit de omgeving zelfs nog de landingsbaan lopend of fietsend kruisen. Nadien was dat niet meer mogelijk. Sinds circa 55 tot 60 jaar is het vliegveld een grote barriere in het landschap en kennen de meeste mensen het plangebied alleen van buiten het hek. De camouflagetaktiek tijdens de Koude Oorlog werd op een andere manier toegepast, namelijk door bunkers en shelters met aarde en begroeiing te bedekken. De bebouwing werd aangepast aan een gestationeerd leger, met meer 'gewone' bedrijfsmatige gebouwen. Buiten het plangebied was de Weerseloseweg in 1954 nog een min of meer rechte lijn tussen Deuringen en Enschede en het vliegveld omgegeven door landgoederen. De laatse verandering vond tussen 1998 en 2007 plaats. De landingsbaan werd verlengd waardoor de Weerseloseweg moest worden verlegd.


Huidige situatie

Het plangebied ligt in zijn huidige vorm verstopt in het bos. Dit bos sluit aan op de landgoederen die ten Noorden van het plangebied liggen. Deze landgoederen zijn aan het einde van het 19e eeuw en in begin van het 20e eeuw flink bebosd. De oude bosgebieden zijn in landschappelijk opzicht het meest waardevol. Tussen de bosgebieden liggen argarische gronden omzoomd met houtwallen. Ook deze structuur is de afgelopen 60 jaar nagenoeg niet veranderd. De bossages in het plangebied zijn minder oud. Zij zijn in het kader van de camouflagetaktiek aangeplant om de shelters en hangaren te verstopen. Zij vormen nu een fraaie coulisse voor het open veld van de landingsbaan.


afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00091-0002_0005.jpg"

Figuur 3.3. Huidige bebouwing luchthaven noordelijk deel


De huidige bebouwing van de Luchthaven Noord bestaat uit een aantal shelters en hangaren en enkele nieuwere kantoorpanden, zie figuur 3.3. Het verbindende element is een taxibaan voor de vliegtuigen die door het bos slingert en parallel hieraan de ringweg voor gemotoriseerd verkeer, zie figuur 3.4.


afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00091-0002_0006.jpg"

Figuur 3.4. Ringweg (links) en taxibaan (rechts)


In het noord-westelijke gedeelte loopt de taxibaan door het bos. Langs deze taxibaan liggen 5 shelters, zie figuur 3.5. De ringweg is in dit deel door een brede houtwal van de taxibaan gescheiden. Het is ook letterlijk een hogere wal die als geluidsafscherming voor de opstartende F16's moest dienen. Achter de shelters ligt in het bos een brede watergang met natuurlijke oevers.


afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00091-0002_0007.png"

Figuur 3.5. Shelters


In het midden van de lange baan ligt een brede rolbaan die de taxibaan door het gebied met de landingsbaan verbindt. Hier staan twee kantoorpanden. In het verlengde bevindt zich de voorziening met de kerosineopslag, ook verborgen onder een bebosd heuveltje. De "druiventros" is een clustering van acht shelters in een landschappelijke setting waarin met name de F16's stonden geparkeerd. Ten zuiden van de Druiventros dient een circuit met kleine gebouwen voor de brandweer als oefenterrein. Hier wordt met name het blussen van brandende benzinetanks en een tankstation geoefend. Het noord-oostelijke gedeelte is minder duidelijk gestructureerd. De ringweg loopt met een ruime bocht om een cluster van grotere hangaren en kantoorpanden. In dit cluster is momenteel het Trainingscentrum Oost-Nederland (TRONED) gevestigd.

3.2 Cultuurhistorische karakteristieken en structuur

In januari 2009 heeft Het Oversticht voor onder andere het projectgebied van de ruimtelijke onderbouwing die is opgesteld voor de tijdelijke vergunning van de Safety Campus, een onderzoek uitgevoerd naar de cultuurhistorische waarden. Uitkomst was dat er verschillende waarden in het plangebied aanwezig zijn, zie figuur 3.6.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00091-0002_0008.png"

Figuur 3.6. Waardestellingkaart Oversticht


Het noordelijk deel van de luchthaven bezit cultuurhistorische, stedenbouwkundige en situationele waarden als herinnering aan de rol van de (militaire) luchtvaart in Nederland en in Enschede in het bijzonder, vanwege de bewaard gebleven ruimtelijke opzet van een bezettingsvliegveld en de prominente situering in de stedendriehoek Hengelo-Enschede-Oldenzaal. Ondanks ingrijpende aanpassingen zijn enkele clusters en individuele gebouwen vanuit cultuurhistorisch oogpunt van belang.


Waardevolle elementen

  • Het lege karakter van het middenterrein in contrast met de kleinschalige verkavelde (noorden-westen) en bosachtige omgeving (zuiden-oosten) buiten Centrum.
  • De brede profielen van de start- en landingsbanen (en de zichtlijnen).
  • Het tracé van de ringrolbaan, met name het beklinkerde gedeelte aan de zuidzijde (langs voormalige Oude Deventerweg).
  • Het cluster van het sheltercomplex de 'Druiventros' met landschappelijke setting.
  • Het cluster van de lineaire noord-zuid opstelling van de toren, de commandobunker ten oosten hiervan, het administratiegebouw en de brandweergarage op de flank van de Lonnekerberg, de gebouwen C20, C21 (niet genoemd in de MIP-rapportage) en C22 (zie beschrijving kenmerkende panden), tezamen met de vliegtuigshelters die hier in lijn aan zijn toegevoegd.
  • Het cluster met munitiebunkers (gecamoufleerd door begroeiing en bos) achter de aarden wal in voormalig Oostkamp (de zogenoemde munitiestraat').
  • De 'personal shelters' verspreid over het terrein (rond 45 stuks)
  • Het tracé van de oude Weerseloseweg over de startbanen (de Weerseloseweg werd omgelegd toen de grote startbaan in zuidwestelijke richting werd verlengd).


Behoud/kansen


Behoud:

  • Contrast tussen open terrein en meer besloten randen is waardevol en moet behouden blijven.
  • Deel van de bosjes, meer in het bijzonder die langs de oostelijke rolbaan en die in het noordwestelijk deel, die voor de camou?age een rol hebben gespeeld zijn waardevol en moeten behouden blijven.
  • De verschillende aangeduide clusters van gebouwen en bunkers zijn waardevol en moeten behouden blijven.
  • Het tracé van de rolbanen, en de klinkers en geëmailleerde stenen van de meest zuidelijke rolbaan zijn waardevol en moeten behouden blijven.
  • De personal shelters zijn waardevol en moeten behouden blijven.


Kansen:

  • Rolbanen kunnen een structurerende werking hebben bij toekomstige nieuwe invulling van het gebied.
  • Door beheer afgestemd op gebruik kan meer ecologische diversiteit ontstaan.
  • De personal shelters kunnen een bijzondere invulling krijgen (bijvoorbeeld als onderdeel van de openbare inrichting); door hun hoeveelheid en de verspreiding over het hele gebied kunnen ze fungeren als historische referentieobjecten die een eigen laag aan het gebied toevoegen.
  • De oorspronkelijke beken kunnen aan de oppervlakte worden gebracht en daarmee belangrijke landschappelijke- en natuurwaarden toevoegen.


De beoogde activiteiten van de Twente Safety Campus, opslag in bestaande bebouwing en kleinschalige culturele activiteitenzijn geen bedreiging voor de cultuurhistorische waarden in het gebied. Aan de bestaande bebouwing wordt niets veranderd. Het gaat in het plan om gebruik van het bestaande terrein met gebouwen (geen sloop of nieuwbouw).

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

Voorliggend bestemmingsplan beoogt, naast de geldende bestemmingen van 'Militair Terrein' en 'Vliegveld', de huidige activiteiten te regelen zoals die tot 2015 zijn vergund. Dit betreft het veiligheidscentrum waarbij informatieve, educatieve en innovatieve (bedrijfsmatige) veiligheidsactiviteiten en het verzorgen van vakbekwaamheid op het gebied van veiligheid en veiligheidstrainingen worden gehouden. Daarnaast worden opslag en kleinschalige culturele activiteiten toegestaan.

Samengevat gaat het om de volgende onderdelen met bijbehorende (hoofd)activiteiten:

  • 1. Twente Safety Campus;
    • a. het verzorgen van theorie-opleidingen;
    • b. het verzorgen van realistische praktijkoefeningen (brand, BHV, hulpverlening, gevaarlijke stoffen);
    • c. het doen van (brand)onderzoeksproeven;
    • d. het verzorgen van rijtrainingen;
    • e. reguliere bedrijfsvoeringsprocessen.
  • 2. Opslag in bestaande bebouwing (niet zijnde gevaarlijke goederen, vuurwerk e.d.).
  • 3. Kleinschalige culturele activiteiten (filmopnamen, atelierruimten e.d., niet zijnde evenementen).

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan nagegaan of het plan uitvoerbaar is. In dat kader wordt het bestemmingsplan getoetst aan een aantal omgevingsaspecten. Het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan kan namelijk gevolgen hebben voor de aspecten van natuur en milieu en voor de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan "Luchthavengebied Noord " getoetst aan de belangen van milieu, natuur en waterhuishouding.

5.1 Milieu

5.1.1 Bodemkwaliteit

Bij het opstellen van een bestemmingsplan behoort onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit binnen het plangebied. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Overwegingen

Voor de beoogde activiteiten vindt uitsluitend een verandering in het gebruik plaats. De bebouwing en verharding blijft intact en ongewijzigd. Bodemroerende werkzaamheden vinden derhalve niet plaats, waardoor geen aanvullende maatregelen nodig zijn of sprake is van financiële beperkingen.

Vanwege de geschiedenis van het gebied zijn al verschillende onderzoeken uitgevoerd. Binnen het gebied van de voormalige vliegbasis zijn bodemverontreinigingsgevallen aanwezig. Deze worden gesaneerd op basis van de Wet bodembescherming. In de Koopovereenkomst die is opgesteld voor de overdracht van de gronden door Defensie zijn afspraken vastgelegd met het Rijk inzake sanering van deze gevallen. De kosten voor het saneren van deze gevallen komen voor rekening van de ontwikkelende partij (ADT).

Daarnaast zijn afspraken vastgelegd met betrekking tot 'nieuwe' - niet eerder aangetroffen - historische gevallen van bodemverontreiniging: ook deze worden gesaneerd, waarbij verrekening van de kosten met het Rijk mogelijk is tot de uiterste datum van 10 jaar na ondertekening Koopovereenkomst, zijnde 20 september 2020. Verontreinigingen die na de datum van ondertekening van de Koopovereenkomst zijn ontstaan, zijn nieuwe gevallen van bodemverontreiniging en moeten door de veroorzaker worden gesaneerd.

Het grondverzet buiten de saneringsgevallen komt voor een (groot) deel voort uit herontwikkeling van de locatie en voor een deel zal het noodzakelijk zijn om de kwaliteit van de leeflaag te verbeteren.

Voor de vliegbasis is een separate bodembeheernota en bodemkwaliteitskaart opgesteld, waarin is vastgelegd wat de eisen zijn aan grondverzet en welke bodemkwaliteit bij een specifieke bestemming hoort. Het beoogde gebruik in dit plan sluit aan bij het niveau waarop de bodem gesaneerd en beheerd wordt.

Overeenkomstig de explosievenrisicokaart van de gemeente Enschede is onderzoek uitgevoerd naar munitie. In de Koopovereenkomst wordt verwezen naar het rapport van historisch vooronderzoek conform BRL OCE, van EOCKL van 15 april 2009. In de Koopovereenkomst is vastgelegd dat het onderzoek naar en ruiming van minutie geschiedt voor rekening van het Ministerie van Defensie. Deze afspraak geldt tot 1 januari 2018.

Conclusie

Het beoogde gebruik zal niet tot bodemroering leiden, daarnaast sluit de aard van het gebruik aan bij de wijze van saneren en beheren van de bodem. Het aspect bodem is daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.1.2 Archeologie

Het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Het Verdrag van Valetta) is in 1992 ondertekend. Het verdrag is geïmplementeerd via een wijziging van de Monumentenwet (Wet op de archeologische monumentenzorg), die op 1 september 2007 in werking is getreden. De Wet op de archeologische monumentenzorg legt de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed bij gemeenten en bepaalt dat archeologie voortaan binnen het instrumentarium van de ruimtelijke ordening dient te worden meegewogen. Op 28 januari 2008 heeft de gemeenteraad van Enschede het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld.

Overwegingen en conclusie

Uit de Archeologische Verwachtingskaart van de gemeente Enschede blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied aangeduid als 'laag': archeologisch onderzoek is niet verplicht. Daarnaast wordt de bodem niet geroerd. Vanuit het oogpunt van archeologie zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.1.3 Geluid

Verkeer

De inrichting van de Twente Safety Campus wordt per dag gemiddeld door zes brandweerteams bezocht die met een eigen tankautospuit de locatie bezoeken om te oefenen. Daarnaast zullen er voor de oefeningen ook cursusleiders aanwezig zijn, dit zullen er in totaal ook zes zijn, welke arriveren per personenauto. Verder zullen er cursisten per auto de locatie bereiken. Op sommige dagen zal materiaal aangeleverd of opgehaald worden voor de oefeningen. Dit betreft onder andere sloopauto’s, brandstof en overige goederen bestemd voor de oefeningen. Voor het leveren van goederen wordt gemiddeld uitgegaan van één vrachtwagen per dag die de inrichting bezoekt.

Verder zullen er in de dagperiode twintig personenauto’s het terrein van de Twente Safety Campus op- en afrijden, in de avondperiode tien.

Verkeer voor Twente Safety Campus bereikt het terrein van de vliegbasis Twente via de Oude Deventerweg en rijdt langs de oostelijke terreingrens naar de trainingslocaties van de Twente Safety Campus. De personenauto’s parkeren bij het entree gebouw voor de ontvangst en briefings voor de trainingen. De tankautospuiten rijden verder door naar de oefenlocaties.

Wet geluidhinder

In artikel 3.3.1 van het Bro is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh).

Een veiligheidscentrum, opslag en een locatie voor kleinschalige culturele activiteiten zijn geen geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. Bij het realiseren van het plan voor het veiligheidscentrum behoeft derhalve geen rekening te worden gehouden met de Wet geluidhinder (Wgh).

Akoestisch onderzoek

In mei 2014 is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de brandweeroefenlocatie van de Twente Safety Campus op de vliegbasis Twente in de gemeente Enschede. Het doel van dit onderzoek is het bepalen van de geluidsemissie van de inrichting naar de omgeving. Deze waarden dienen getoetst te worden aan de richtwaarden zoals gegeven in de ‘Geluidnota Enschede 2009-2012’ en de ‘Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998’.

Uit de overdrachtsberekeningen volgt dat:

  • Het hoogst optredende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van de rekenpunten respectievelijk 36 dB(A) in de dagperiode en 39 dB(A) in de avondperiode. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarden uit het geluidbeleid van de gemeente Enschede.
  • Het hoogst optredende maximale geluidsniveau (LAmax) ter plaatse van de rekenpunten in de dag-, en avondperiode 59 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de streefwaarden van de Handreiking.
  • De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder voor de meest maatgevende woning, aan de
    Oude Deventerweg 151, in een maximale situatie 38 dB(A) in de dagperiode en 40 dB(A) in de avondperiode bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde zoals die in de circulaire van februari 1996 van de minister van VROM vermeld is.

Overwegingen en conclusie

Op basis van bovenstaande vormt onderhavig voornemen geen belemmeringen ten aanzien van het aspect geluid, aangezien de functies niet geluidgevoelig zijn maar ook geen belemmeringen vormen voor de omgeving en voldoen aan de richtwaarden van het beleid.

5.1.4 Luchtkwaliteit

Het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen is geregeld in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wm en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien:

  • a. er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;
  • b. een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • c. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • d. een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Overwegingen en conclusie

Het veiligheidscentrum maakt deel uit van het project Luchthaven Twente dat onder projectnummer 802 is opgenomen in het NSL. Dit betekent dat gelet op artikel 5.16 bij de goedkeuring van het bestemmingsplan geen afzonderlijke toetsing aan de in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer opgenomen grenswaarden hoeft plaats te vinden.

Tevens is voor het ontwerp bestemmingsplan Luchthaven Twente een MER uitgevoerd waarin onderzoek is uitgevoerd naar de effecten op de luchtkwaliteit. Een veiligheidscentrum maakte hier onderdeel van uit. Hieruit kwam naar voren dat er geen overschrijding van de grenswaarden plaats zal vinden. Naast het feit dat het project is opgenomen in het NSL is, met het aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit uit bijlage 2 van de Wet Milieubeheer, in voldoende mate aangetoond dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.5 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke.

Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe niet groter zijn dan een lethaliteitskans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6).

Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke dodelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt. Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden.

De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan ruwweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen.


Risicovolle activiteiten bij inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Luchthavengebied Noord" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi van toepassing is.


Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Luchthavengebied Noord" of in de directe nabijheid daarvan zijn buisleidingen van het Ministerie van Defensie aanwezig waarop het Bevb van toepassing is. De leidingen kennen geen 10-6 contour of een relevante effectafstand.

Het Ministerie van Defensie exploiteert via de Defensie Pijpleidingorganisatie (DPO) het Nederlandse deel van het NAVO-buisleidingnet voor het vervoer van brandstoffen voor de krijgsmacht en civiele luchthavens. In de Structuurvisie Buisleidingen en in de ontwerp AMvB ruimte zijn deze leidingen aangeduid als leidingen van nationaal belang.

De leidingen van de Defensie Pijpleiding Organisatie vervoeren brandbare vloeistoffen. Op grond van het gestelde in het Besluit externe veiligheid buisleidingen dient de ligging van brandstofleidingen, evenals de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding in bestemmingsplannen te worden opgenomen. De belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van de buisleiding. Binnen de belemmeringenstrook gelden beperkingen voor het oprichten van bouwwerken en een vergunningstelsel voor werken en werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding. Binnen het plangebied zijn geen leidingen gelegen. De meest nabijgelegen leiding ligt op ca. 160 meter en vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig plan.


Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water

Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water zijn de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de Circulaire Vervoer Gevaarlijke Stoffen het wettelijk kader. Momenteel is nieuwe wet- en regelgeving in voorbereiding voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De basis van die nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg.


Basisnet Weg

In de nabijheid van het plangebied van het bestemmingsplan "Luchthavengebied Noord", op ca. 1.250 meter, is de A1 gelegen, de A1 is een aangewezen weg als route voor vervoer van gevaarlijke stoffen. De weg kent geen relevante 10-6 contour. De maatgevende stof over dit traject is LPG. Als gevolg van deze stof kent de weg een invloedsgebied van ca. 300 meter. Binnen deze afstand worden middels onderhavig plan geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg levert thans en in de toekomst geen veiligheidsknelpunten op voor de voorgenomen activiteiten.


Basisnet Water

Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Luchthavengebied Noord" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water.


Basisnet Spoor

In de nabijheid van het plangebied van het bestemmingsplan "Luchthavengebied Noord" op ca. 750 meter is de spoorweg Hengelo - Oldenzaal gelegen die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor. Over dit spoortraject worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De maatgevende stof over dit traject is LPG. Met een invloedsgebied van ca. 300 meter wordt het plangebied niet bereikt. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor levert thans en in de toekomst geen veiligheidsknelpunten op voor de voorgenomen activiteiten.


Gebruik van luchthavens

De aanwezigheid van vliegvelden en grote luchthavens in de omgeving is van belang in het kader van de externe veiligheid nu de kans op het neerstorten van vliegtuigen in de buurt van een vliegveld of luchthaven groter is dan elders. Een luchtvaartongeval ter plaatste is potentieel voorzienbaar en het is denkbaar dat daarbij (woon)bebouwing wordt getroffen. Een vliegtuig of helikopter kan overal neerstorten, de gevolgen kunnen dus in beginsel op elke plek optreden. Dit risico is echter het grootst nabij een vliegveld of luchthaven, met name bij het opstijgen en landen.

Het plangebied van het bestemmingsplan "Luchthavengebied Noord" is in de nabijheid van het (voormalige) vliegveld Twente gelegen. Momenteel worden scenario's uitgewerkt voor de herontwikkeling van dit voormalige vliegveld. Uit de MER voor de burgerluchthaven, dat niet meer als scenario onderzocht wordt, is gebleken dat een luchthaven geen beperkingen oplevert voor onderhavig plan.


Conclusie externe veiligheid

Op basis van het bovenstaande en het gegeven dat het plan geen (nieuwe) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maakt kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.6 Milieuhinder van bedrijven en inrichtingen

Milieuzonering is het aanbrengen van een doeltreffende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter verzekering van de goede woon- en leefkwaliteit. Bij integrale milieuzonering wordt bovendien rekening gehouden met cumulatieve effecten. Voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming is de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" (2009) een belangrijk hulpmiddel.

Ter voorbereiding van het bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van bestaande en geprojecteerde bedrijvigheid in en rondom het plangebied, die van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat in en rondom het plangebied. Er is onderzoek gedaan naar de potentiële milieubelasting van deze inrichtingen (bedrijven en voorzieningen).


Bedrijven in de omgeving van het plangebied

In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die van invloed zijn op de geprojecteerde bedrijvigheid in het plangebied of die door het plangebied beinvloed worden. In het plangebied heeft zich gedurende een lange tijd een vliegveld bevonden en om die reden hebben op korte afstand nimmer gevoelige activiteiten plaatsgevonden. De bedrijven in de omgeving van het plangebied liggen op een zodanige afstand dat zij niet relevant zijn voor de ontwikkeling van het plangebied.


Overwegingen en conclusie
Het bestemmingsplan maakt de vestiging van een veiligheidscentrum mogelijk. Daarnaast geeft het ruimte aan commerciele opslag en kleinschalige culturele activiteiten. Voor dit geheel aan bedrijfsmatige activiteiten bevat de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" geen toegesneden SBI-code. De activiteiten van het veiligheidscentrum zijn naar aard en invloed op de omgeving min of meer vergelijkbaar met een defensieinrichting. Daarvoor geldt een richtafstand van 200 m. Voor opslaggebouwen geldt een richtafstand van 30 m. Voor kleinschalige culturele activiteiten, geldt een richtafstand van 30 m.

Tevens zijn ten tijde van de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning (activiteit milieu) de relevante milieuaspecten (lucht, geluid en externe veiligheid) in het kader van de behandeling van de aanvraag beoordeeld. Uit deze beoordeling is naar voren gekomen dat het veiligheidscentrum (dat de grootste richtafstand heeft) geen negatieve milieueffecten voor de omgeving oplevert en dat er geen redenen bestaan om de vergunning te weigeren.

De omgeving van het plangebied is dunbevolkt. De meest nabijgelegen woning ligt op een afstand van 275 m. De woningen in de omgeving van het plangebied van de activiteiten. Op deze plek is de geldende bestemming die van vliegveld; voor de militaire bestemming in het vigerende plan is immer van een grote richtafstand uitgegaan. De conclusie is er dat uit hoofde van een goede milieuzonering geen belemmeringen bestaan voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.2 Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding.

Hemelwater

Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt. Indien dit aantoonbaar niet mogelijk is, mag het hemelwater vertraagd worden afgevoerd naar een aanwezige greppel, oppervlaktewater of ander afwateringssysteem in de nabije omgeving. Hiervoor is het nodig het hemelwater tijdelijk op eigen terrein te bergen, zodat het vertraagd kan worden afgevoerd naar voorzieningen in de openbare ruimte. De tijdelijke bergingsopgave bedraagt in het bestaand stedelijk gebied 20 millimeter, oftewel 20 liter per vierkante meter verhard oppervlak. In het buitengebied bedraagt de tijdelijke bergingsopgave 40 millimeter.

Afvalwater

Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het afvalwater gescheiden van het hemelwater wordt aangeboden en afgevoerd. De gemeente zorgt, indien doelmatig, er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen.

Grondwater

Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de openbare ruimte voor passende maatregelen indien er in een gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen voor de grondwaterstand en de te treffen maatregelen niet tot de zorg van de provincie of het waterschap behoren.

Overwegingen en conclusie

De beoogde activiteiten, voor zover het veiligheidscentrum betreft, vinden momenteel reeds plaats. Zodoende zullen er geen verandering aan de waterhuishouding benodigd zijn. Bovendien vinden de activiteiten voornamelijk plaats binnen bestaande bebouwing en zal met de ontwikkeling het verhard oppervlak en de afvalwaterproductie niet toenemen.

Voor de huidige situatie is het gebruik van de bestaande afvoersystemen het meest doelmatig.

Digitale watertoets

Op 22 augustus 2014 is digitaal de watertoets doorlopen. Op basis van deze toets wordt geconcludeerd dat er geen waterschapsbelangen worden geraakt. De procedure 'geen waterschapsbelang' wordt gevolgd. Dit houdt in dat direct doorgegaan kan worden met de planvorming.


Paragraaf geen waterschapsbelang

Deze paragraaf 'geen waterschapsbelang' heeft betrekking op het plan Bestemmingsplan Luchthavengebied Noord. Het plan betreft uitsluitend een functieverandering van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen waterbelangen gemoeid. De ontwikkeling heeft geen nieuwe lozingen op oppervlaktewater tot gevolg. In het gebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.

5.3 Natuur

5.3.1 Natuurbeschermingswet 1998

In de Natuurbeschermingswet 1998 wordt de aanwijzing en bescherming van de Europese 'Natura 2000' gebieden geregeld. Op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 dienen voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan te worden vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de kwaliteit van natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000 gebied en op activiteiten die significant verstorende effecten kunnen hebben op voor een Natura 2000 gebied aangewezen soorten. Bestaand gebruik mag worden voortgezet, mits niet conflicterend met de instandhoudingsdoelstellingen en als zodanig vastgelegd in het beheerplan. Voor alle andere activiteiten is een Natuurbeschermingswetvergunning van het bevoegd gezag noodzakelijk.

Toepassing van artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt in dat de gemeenteraad bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een bestemmingsplan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied. Volgens het tweede lid maakt de gemeenteraad voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.


De essentie van artikel 19j Nbw 1998 is derhalve dat indien en zodra significante gevolgen vanwege de vaststelling van een bestemmingsplan niet kunnen worden uitgesloten, een passende beoordeling moet worden opgesteld. Dit stelt de vraag centraal of in het kader van het voorliggende bestemmingsplan significante effecten voor een Natura 2000-gebied uitgesloten kunnen worden geacht.

Uitsluiting significante effecten

In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan voor de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente is in 2013 door adviesbureau Arcadis een milieu-effectrapportage met een passende beoordeling opgesteld om na te gaan of en zo ja in hoeverre de voorgenomen realisatie van een burgerluchthaven en de bedrijven-/ en leisure-locaties significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoestellingen van de diverse Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied. De begrenzing van het onderhavige bestemmingsplan valt geheel binnen het projectgebied van dit natuurwaardenonderzoek. De activiteiten die ten behoeve van het veiligheidscentrum op effecten zijn gezet in de passende beoordeling zijn naar aard en inhoud exact gelijk aan hetgeen dit bestemmingsplan mogelijk maakt. De ontwikkeling van de Twente Safety Campus, zoals die in het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, maakt dan ook integraal deel uit van de activiteiten waarin het bestemmingsplan Luchthaven Twente voorzag.

In de Passende Beoordeling Luchthaven Twente ligt de focus op de effecten van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Lonnekermeer en Landgoederen Oldenzaal. In een eerdere fase van het project Luchthaven Twente is in een voortoets reeds onderzocht dat andere effecten zich niet voordoen. Uit de stikstofdepositieberekeningen die reeds zijn uitgevoerd blijkt dat de invloed van stikstofdepositie niet verder reikt dan het gebied Landgoederen Oldenzaal. In de passende beoordeling is beoordeeld of deze invloed leidt tot effecten op Lonnekermeer, Landgoederen Oldenzaal en de verder weg gelegen Duitse Natura 2000-gebieden.

Uit deconclusie van de passende beoordeling komt naar voren dat er ten gevolge van het luchthavenbesluit een toename is van de stikstofdepositie in de jaren 2024 en 2030 ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Ten opzichte van de huidige situatie is sprake van een afname. Samen betekent dit dat er een verminderde afname optreedt.

De verminderde afname is binnen Landgoederen Oldenzaal verwaarloosbaar klein en tast de instandhoudingsdoelen niet aan.

In het geval van het Lonnekermeer is er sprake van een beperkte verminderde afname ten gevolge van het project voor drie habitattypen met een verbeterdoelstelling. In theorie betekent dat een beperkte vertraging (minder dan 1 seizoen) in het behalen/behouden van de doelen. Uit nadere analyse blijkt dat de termijn waarop de doelstellingen worden bereikt door middel van kleine aanpassingen in het beheer in positieve zin kunnen worden gestuurd.

De voornoemde passende beoordeling wijst uit dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van de in de omgeving van het plangebied gelegen Natura 2000 gebieden "Lonnekermeer" en "Landgoederen Oldenzaal" als gevolg van de vestiging van een luchthaven. Van die ontwikkeling maakt het veiligheidscentrum Twente Safety Campus deel uit.

Deze constatering wordt in het kader van de toetsing aan artikel 19j Nbw voor het onderhavige bestemmingsplan ten grondslag gelegd aan de conclusie dat significante effecten vanwege dit bestemmingsplan uitgesloten zijn. Daarbij is van belang te vermelden dat de voorgestelde mitigerende maatregelen uit deze passende beoordeling al in het kader van de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente zijn uitgevoerd. Zij zijn ten aanzien van het voorliggende bestemmingsplan derhalve niet meer te beschouwen als mitigerende maatregelen.


Conclusie Natuurbeschermingswet 1998

Op grond van het voorgaande kan met zekerheid worden geconcludeerd dat significante effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten zijn en dat de Natuurbeschermingswet 1998 op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.3.2 Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de meest kwetsbare planten- en diersoorten die in Nederland voorkomen. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om waarborgen ter voorkoming dat het voortbestaan van soorten planten of dieren in gevaar komt. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan.

Indien een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk negatieve gevolgen heeft voor in dat gebied voorkomende beschermde soorten dienen passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen en/of dient het plan te worden aangepast om eventuele negatieve gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen. Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor eventueel aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kan worden voorkomen dient ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen te worden gevraagd bij de staatssecretaris van Economische zaken, Landbouw en Innovatie. De ontheffingsregeling is geregeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet en nader uitgewerkt in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.

Het plangebied

In het kader van de gebiedsontwikkeling luchthaven Twente is in 2010 en 2011 op het luchthaventerrein door ecologisch adviesbureau Eelerwoude ecologisch en Flora- en faunawet onderzoek uitgevoerd. Uit de onderzoeksrapportage, zie Bijlage 2 Onderzoek Flora- en faunawet Luchthaven Twente, blijkt dat ter plaatse van de projectlocatie in de bestaande gebouwen en landschapselementen diverse op grond van de Flora- en faunawet strikt(er) beschermde planten- en diersoorten voorkomen. Hierbij wordt opgemerkt dat de projectlocatie ten tijde van de uitvoering van het ecologisch onderzoek door Eelerwoude reeds in gebruik was door het veiligheidscentrum. Op de projectlocatie wordt uitsluitend gebruik gemaakt van bestaande gebouwen en verharde infrastructuur, er vindt geen nieuw- en/of verbouw dan wel aantasting of verwijdering van de binnen de projectlocatie aanwezige landschapselementen plaats. Wel worden op de bestaande verharding enkele zeecontainers geplaatst maar dit heeft geen negatieve gevolgen voor de functionele leefomgeving van strikt(er) beschermde soorten die in de bestaande gebouwen en/of landschapselementen een vaste rust- of verblijfplaats hebben. Op basis van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende stelligheid worden geconcludeerd dat de Flora- en faunawet op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg zal staan.

Conclusie Flora- en faunawet

Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende stelligheid worden geconcludeerd dat de Flora- en faunawet op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, het aanvragen van een ontheffing Flora- en faunawet is niet noodzakelijk.

5.3.3 Ecologische Hoofdstructuur

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met belangrijke natuurwaarden. De EHS heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). De EHS beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De EHS valt niet onder de werking van de gebiedsbescherming, zoals geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 of de soortenbescherming, zoals geregeld in de Flora- en faunawet. De EHS is een ruimtelijk rijksbelang dat door provincies en gemeenten dient te worden vertaald in ruimtelijke plannen, zoals structuurvisies en bestemmingsplannen.

Het plangebied

De projectlocatie is niet gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) maar grenst aan de noordzijde wel direct aan gebieden die deel uitmaken van de EHS. Gronden binnen de Ecologische Hoofdstructuur dienen op grond van de provinciale Omgevingsvisie en -verordening van een beschermende bestemming te worden voorzien. Er is geen sprake van een wettelijk beschermingsregime voor de EHS en de EHS heeft ook geen externe werking. De te vergunnen activiteiten vinden plaats buiten de EHS, er vindt dan ook geen aantasting plaats van gebieden die tot de EHS behoren.

Conclusie EHS

Op grond van het voorgaande kan met zekerheid worden geconcludeerd dat de EHS geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemeen

In voorliggend parapluplan worden de vigerende bestemmingsplannen 'Buitengebied' van de voormalige gemeente Weerselo en 'Buitengebied 1996' deels overgenomen. De bestaande bestemmingen blijven daarbij van kracht ('vliegveld' en 'militaire doeleinden') waaraan de nieuwe functies 'opslag en culturele activiteiten' en voor een kleiner deel 'veiligheidscentrum' worden toegevoegd en wel in de vorm van een gebiedsaanduiding.

6.2 Indeling planregels

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de bijbehorende verbeelding waarop de diverse bestemmingen zijn aangegeven. De regels en de verbeelding dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken:

  • a. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels;
  • b. Hoofdstuk 2 - Algemene regels;
  • c. Hoofdstuk 3 - Overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat inleidende regels. Hierin zijn alleen die begrippen opgenomen, die aanvullend op de vigerende bestemmingsplannen benodigd zijn.

Hoofdstuk 2 Algemene regels

Hoofdstuk 2 bevat de bepaling die de geldende bestemmingen Militair Terrein en Vliegveld van toepassing verklaart. Voor het gehele plangebied geldt de gebiedsaanduiding 'overige zone - opslag en culturele activteiten'. Vervolgens zijn voor een deel van het plangebied middels de aanduiding 'overige zone - Twente Safety Campus', activiteiten ten behoeve van het veiligheidscentrum toegevoegd aan de geldende bestemmigen.

Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 3 zijn regels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik van gronden. Deze artikelen bevatten regels die als doel hebben de rechtstoestand tijdens de overgang naar een nieuw bestemmingsplan vast te leggen. De 'Slotregel' geeft de naam van het bestemmingsplan aan.

6.3 Handhaving

Bestemmingsplannen zijn bindend voor iedereen: burgers, ondernemers en de overheid zelf. Het is een juridisch kader voor burgers en ondernemers waaruit kan worden afgeleid wat de eigen bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, maar ook wat de planologische mogelijkheden in juridische zin zijn op percelen in de directe omgeving. Aan de andere kant kan de gemeentelijke overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen als er sprake is van gebruik en/of bebouwing die niet in het bestemmingsplan passen.

In het kader van de bedrijven- en milieuinventarisatie is voorafgaand aan het in procedure brengen van het bestemmingsplan onderzocht in hoeverre de functies die in het plangebied voorkomen in overeenstemming zijn met het geldende bestemmingsplan en bij geconstateerde afwijkingen eventueel gelegaliseerd kunnen worden.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Het hoofddoel van dit bestemmingsplan is de gewenste toekomstige situatie planologisch-juridisch vast te leggen. Binnen het plangebied zijn verschillende deelontwikkelingen beoogd, met als hoofddoel het faciliteren van de activiteiten veiligheidscentrum, opslag en kleinschalige culturele activiteiten.

Exploitatieplan

Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 van de Wro dient de gemeenteraad voor gronden waarop een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro is voorgenomen een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal van de grondexploitatie over de in het bestemmingsplan begrepen gronden anderszins is verzekerd. Het bestemmingsplan voorziet niet in bouwplannen of andere activiteiten waardoor er artikel 6.2.1 Bro van toepassing is. De gemeentelijke kosten zullen op basis van de legesverordening worden verhaald.

Gelet op het bovenstaande kan worden gesteld dat kostenverhaal niet aan de orde is en is de economische uitvoerbaarheid van het nu voorliggende bestemmingsplan voldoende aangetoond.