direct naar inhoud van 2.2 Geschiedenis van het gebied
Plan: Buitengebied Noordwest
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.BP00042-0002

2.2 Geschiedenis van het gebied

Ontstaanswijze

Voor het ontstaan van het Twentse landschap zijn de twee laatste ijstijden van belang geweest. Tijdens de voorlaatste ijstijd werd Twente onder ijs bedekt. Grote massa's landijs kwamen vanuit Scandinavië naar het zuiden. IJstongen stuwden onder andere het door rivieren afgezette materiaal op. Hierdoor ontstonden de stuwwallen, waarvan een reeks in Twente ligt.

Tijdens de daarop volgende ijstijd werd ons land niet door het ijs bereikt. De beddingen van de rivieren lagen droog, de zeespiegel daalde en begroeiing was nauwelijks mogelijk. Grote delen van het land (zo ook Twente) werden bedekt met een laag dekzand van wisselende dikte.

De stuwwallen zijn voor een groot deel bepalend geweest voor de hydrologische gesteldheid van Twente. Door de stuwwallen is een afwateringssysteem ontstaan dat in drie beeksystemen is te verdelen. Voor het gebied rondom Enschede is een tweetal daarvan van belang, de Regge en de Dinkel. De gemeente Enschede ligt op de meest oostelijk gelegen stuwwal van Twente.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00042-0002_0004.jpg"

Afbeelding 2.1: Landschapstypen, water en bebouwing in Enschede

De oostzijde van de bebouwde kom ligt op de stuwwal (zie afbeelding 2.1). De rug van de stuwwal vormt de waterscheiding van de beeksystemen. Vanaf dit hoogste punt lopen beekdalen in een vrij dicht patroon naar lagere gebieden, aan de oostzijde richting Dinkel, aan de westzijde in de richting van de Regge. Aan de oostzijde zijn de beekdalen kort en recht. Ze lopen van west naar oost.

De beekdalen aan de westzijde zijn zeer langgerekt en hebben een meer meanderend patroon, met een zuidoost-noordwestelijke richting. Grondmorene welvingen, hoge grondmorene ruggen en een aantal dekzandruggen komen verspreid door het gehele gebied voor. Deze zijn voor de ontginningsgeschiedenis van belang gebleken. In het zuidoostelijk deel liggen veenrestruggen (Aamsveen), onderdeel van een groter gebied aan Duitse zijde.

Ontwikkeling grondgebruik

De historie van het grondgebruik en daarmee de verschijningsvorm van het landschap hangt sterk samen met de ondergrond. Van oudsher is het gebied rondom Enschede in gebruik als agrarisch gebied. De vestigingen met bijbehorende oude ontginningen dateren uit de Middeleeuwen. Men vestigde zich alleen daar, waar het mogelijk was bouwlanden en weidegrond op korte afstand van elkaar te hebben liggen. In de omgeving van Enschede was de grondwaterstand vrij hoog.

De relatief drogere terreinen, de dekzandruggen en - koppen of de gunstige plekken op de stuwwalhelling werden als bouwland gekozen. De bouwlanden waren van oorsprong arme zandgronden en dus onvruchtbaar. Door middel van bemesting verbeterde men de grond. Mest werd verkregen door vermenging van stalmest en heideplaggen. De plaggen werden gestoken op de zogenaamde woeste gronden. De bouwlanden kregen door dit mengsel een humushoudende bovenlaag. Door de eeuwenlange bemesting zijn de bouwlanden opgehoogd tot het huidige niveau van de essen. De vestigingen breidden zich rondom de bouwlanden uit.

Daar waar slechts kleine kopjes en ruggen voorkwamen vestigde zich slechts één boer. Hier ontstonden de zogenaamde kampen of eenmansesjes. Waar grote aaneengesloten hoge gronden voorkwamen ontstonden grote essen (Usseler es, Twekkeler es). De essen waren open. Rondom lag een dichte rand van bebouwing en beplanting. De erven van de boerderijen werden beplant met geriefhoutbosjes. De bouwlanden werden omzoomd door houtwallen.

Voor weidegronden gebruikte men de lage vochtige terreinen langs de beken. De kavelgrenzen van de weilanden werden met houtwallen en -singels beplant. Ook graasde het vee in nabijgelegen bossen. De boerderijen werden met elkaar verbonden door kronkelig verlopende wegen. De woeste gronden lagen tussen de vestigingen en in cultuur gebrachte gronden. Rondom Enschede bestonden de woeste gronden voornamelijk uit velden en venen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00042-0002_0005.jpg"

Afbeelding 2.2: Kaart van Enschede en omgeving (1850)

Op de kaart van 1850 (zie afbeelding 2.2) is te zien hoe deze grondgebruiksvormen waren verdeeld. De bouwlanden en heidevelden vormden relatief open gebieden. De dorpen en verspreide hoeven met om de weilanden houtwallen waren daarentegen besloten gebieden.

Vanaf 1829 werden de marke-gronden verkocht respectievelijk verdeeld. Na de uitvinding van kunstmest was het steken van plaggen voor bemesting niet meer nodig. De woeste gronden werden ontgonnen tot bouw- en grasland. Er werden lange rechte wegen aangelegd, die de nieuw ontgonnen gronden ontsloten. Langs deze wegen kwamen nieuwe agrarische bedrijven. Dit was eveneens de tijd dat rijke koop- en handelslieden, hoofdzakelijk textielfabrikanten, buitenplaatsen lieten aanleggen. Grote delen van de woeste gronden werden gebruikt voor de aanleg van deze buitenplaatsen en landgoederen.

Ecologische ontwikkeling

In de loop van 150 jaar is veel in de opbouw van het landschap veranderd en daarmee ook in de soort en kwaliteit van de biotopen. Op historische kaarten is te zien dat met uitzondering van de gronden rondom de boerderijen er weinig opgaande beplanting voorkwam. Het overgrote deel van het gebied bestond uit heide, een pioniervegetatie die door de gebruiksvorm in stand werd gehouden.

Op de natte delen kwam hier en daar broekbos voor. De bouwlanden waren open. Rondom de essen en op de perceelsgrenzen van de weilanden kwamen bosjes en houtwallen voor. Grote boscomplexen werden pas aangeplant na de ontginning van de heide. De heide-restanten die na de ontginning overbleven, zijn door het ontbreken van beheer grotendeels dichtgegroeid. In het cultuurlandschap zijn onder invloed van achterblijvend beheer, schaalvergroting, produktieverhoging en veranderd grondgebruik de landschapselementen in aantal en kwaliteit drastisch afgenomen. De dichte houtwallenstructuur, die van groot belang is voor kleine zoogdieren en veel vogels, is niet meer aanwezig.

Een belangrijke achteruitgang van de ecologische kwaliteit is veroorzaakt door vervuiling van het milieu, verlaging van de grondwaterstand, verbreking van verbindingen en versnippering van biotopen door de aanleg van wegen en andere infrastructurele werken, kanaliseren van beken en andere beekverbeteringsmaatregelen, aanleg van recreatieterreinen, verstoring door recreatie etc.

Er is in de laatste jaren een aantal maatregelen getroffen ter verbetering van ecologische kwaliteiten. Met name het poelenproject heeft goede resultaten geboekt. Belangrijke natuurterreinen zijn in eigendom gekomen bij overheden of stichtingen (onder andere Stichting Overijssels Landschap), die zorgdragen voor de instandhouding en verbetering van de kwaliteit van dergelijke terreinen.

Functionele ontwikkeling

Zoals uit de beschrijving van de ontwikkeling van het grondgebruik is gebleken was voor 1850 landbouw de enige aanwezige functie in het overgrote deel van Nederland. Met de opkomst van de industrie, mobiliteit en mede door de landbouwcrisis aan het eind van de 19e eeuw kwam er een grote trek van het platteland naar de stad op gang. De stad breidde zich hierdoor uit, waardoor het areaal landbouwgrond sterk werd teruggedrongen. Om diverse redenen werden op de ontgonnen heidegronden bossen aangelegd: houtproduktie, werkverschaffing, welstand van grootgrondbezitters.

De naoorlogse verstedelijking heeft de gebruiksfunctie en -vormen van het landschap in belangrijke mate beïnvloed. Naast de agrariër en landgoedeigenaar ging ook de stedeling het buitengebied bevolken. Door verdergaande verstedelijking, woningnood en suburbanisatie nam de trek naar buiten sterker toe. Was het niet mogelijk buiten de stad te wonen, dan zocht menigeen toch een tijdelijk verblijf in de vorm van zomerhuisjes, welke zowel in de vorm van complexen als losstaande huisjes in het buitengebied terecht kwamen. Naast zomerhuisjescomplexen zijn er andere grootschalige recreatieve voorzieningen in het buitengebied gekomen, waardoor de agrarische functie is teruggedrongen. Veel bezochte plekken zijn het Rutbeek als watersport- en recreatiegebied, de volkstuincomplexen en de toegankelijke landgoederen.

Andere nieuwe elementen die aan het landschap zijn toegevoegd betreffen infrastructurele werken, zoals snelwegen, spoorlijnen en hoogspanningslijnen.

Een groot deel van de spoorlijnen is buiten gebruik of opgeheven. Overblijfselen daarvan zijn nog zichtbaar. Grote gebieden zijn uit cultuur genomen vanwege stedelijke uitbreidingen, de situering van respectievelijk het vliegveld met bijbehorende functies, de Boeldershoek, recreatiegebied Rutbeek en de Universiteit Twente.