direct naar inhoud van 5.2 Water
Plan: Binnenhaven en De Ossenboer
Status: concept
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.BP00034-0002

5.2 Water

In deze waterparagraaf wordt aangegeven hoe een duurzame waterhuishouding binnen het bestemmingsplangebied en in een groter verband gerealiseerd en gewaarborgd kan worden. Hiertoe is eerst een beknopte beschrijving gegeven van het wettelijk kader. Het waterbeleidskader is opgenomen onder hoofdstuk 3 (Planologisch beleidskader). Vervolgens wordt de huidige situatie van het plangebied beschreven. Aansluitend op de huidige situatie zijn randvoorwaarden en aandachtspunten voor het watersysteem geformuleerd, welke bij nieuwe ontwikkelingen in acht genomen dienen te worden.

5.2.1 Watertoets

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Door water te laten infiltreren in de bodem, en te bergen op daarvoor aangewezen plekken wordt ongecontroleerde overstroming en droogteschade voorkomen.

Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die wettelijk is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. In bestemmingsplannen dient een beschrijving opgenomen te worden van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.2.2 Huidige waterhuishoudkundige situatie

Het gebied van het bestemmingsplan Binnenhaven - De Ossenboer heeft een oppervlak van ongeveer 11,5 hectare. De Binnenhaven 6 hectare en de Ossenboer 5,5 hectare. In bijlage 2 staan de grenzen van het plangebied weergegeven. De hoogte van het maaiveld ligt tussen de NAP + 28 meter en NAP + 29 meter.

Aan de hand van de bodemkaart kan geen beeld verkregen worden van de bodemopbouw. Volgens verschillende boorprofielen uit het dinoloket bestaat de bodem uit een deklaag van zand (ca. 2,5 meter) met daaronder een leemlaag.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00034-0002_0018.jpg"

Afbeelding 16: Bodemopbouw (bron: Dinoloket)

Doorlatendheid

De bodem binnen het plangebied heeft deels een zanderige samenstelling. De bodem is hier redelijk tot goed doorlatend. Locaties met (lokaal) leem/klei in de bodem hebben een beperkte doorlatendheid.


Gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstanden

Uit het grondwatermodel van het Waterschap Regge en Dinkel blijkt dat de maximale grondwaterstanden bij De Ossenboer ruim 1,5 meter onder het maaiveld liggen. In droge perioden kunnen de grondwaterstanden hier uitzakken tot ruim 3 meter onder maaiveld. Het gemiddelde peil van het Twentekanaal ligt op NAP + 24,85 m. Tijdens en na een regenbui stijgt het peil. In droge perioden zakt het peil uit.


Grondwaterstanden

Behalve een inschatting van de gemiddeld hoogste grondwaterstanden (GHG) op basis van de grondwatertrappen kunnen ook meetgegevens worden gebruikt van een gemeentelijke peilbuis binnen het plangebied (417 en 431). Op deze locaties zijn gedurende een langere periode de grondwaterstanden zijn opgenomen. De meetlocaties staat weergegeven op de kaart van bijlage 3. De gemiddelde waterstanden van peilbuis 431 liggen rond de 2,90 meter beneden maaiveld. De geringe afwijking komt door het constante kanaalpeil in de omgeving van de peilbuis. Peilbuis 417 laat meer variatie in de grondwaterstanden zien. De gemiddeld hoogste grondwaterstand op 340 centimeter beneden maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand op 380 centimeter beneden maaiveld.

Grondwateronttrekkingen

Binnen het plangebied zijn geen actieve bemalingen. Volgens de beheergegevens zijn in de omgeving van het plangebied twee actieve grondwaterbemalingen. Eén bemaling van de Twentse betoncentrale en de Gemeente Enschede.

Afvalwater

Afvalwaterproductie vindt alleen plaats binnen het gebied De Ossenboer. Het huishoudelijk afvalwater en/of bedrijfsafvalwater van de (bedrijfs)panden wordt afgevoerd via het vuilwaterriool dat afvoert naar de zuivering Enschede West. De ligging van het rioolsysteem staat aangegeven in bijlage II.


Regenwater

Het gebied binnenhaven is niet verhard. Regenwater (dat valt op taluds) wordt afgevoerd naar het kanaal. Het gebied De Ossenboer is grotendeels verhard. Het regenwater vanaf daken en terreinen voert via het regenwaterriool af naar het kanaal. De wijze van regenwaterafvoer staat weergegeven in bijlage 3.

Grondwater

Voor zover bekend is binnen het plangebied geen drainage aanwezig om wegen en woningen te ontwateren. De grondwaterstanden zijn dermate laag dat extra ontwateringsmiddelen niet noodzakelijk zijn.


Oppervlaktewater

Binnen het gebied De Ossenboer is geen oppervlaktewater aanwezig. De Binnenhaven bestaat, naast taluds, volledig uit oppervlaktewater, het Twentekanaal. Het Twentekanaal is een waterweg in de Nederlandse provincies Gelderland en Overijssel die de drie grote steden van Twente, Almelo, Hengelo en Enschede aansluit op het landelijk netwerk van rivieren en kanalen. Het Twentekanaal begint bij de IJssel ten noorden van Zutphen bij het dorp Eefde en loopt langs de plaatsen Almen, Lochem, Goor, Delden en Hengelo naar Enschede. Het kanaal wordt beheerd door Rijkswaterstaat. Het kanaalpand Hengelo - Enschede heeft een lengte van 5 kilometer.


Met de bouw van het kanaal werd begonnen in 1930. Het kanaal werd gegraven voor een betere aanvoer van grondstoffen voor de Twentse textielindustrie en voor de toevoer van steenkool uit de mijnen in Limburg. In 1938 was het kanaal gereed. Vandaag de dag wordt het kanaal gebruikt voor het vervoer van zand, grind, zout, veevoer en containers. Daarnaast vervult het een functie voor de recreatie en afwatering. Tot 2003 (brand Vredestein) speelde het ook een belangrijke rol bij de drinkwatervoorziening van Enschede.

5.2.3 Randvoorwaarden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Uitgangspunten hemelwater

Als gevolg van het uitgeven van groenstroken en braakliggende terreinen bij De Ossenboer neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met circa 2 hectare. Om de extra hoeveelheid hemelwater afkomstige van verhard oppervlak te kunnen afvoeren, is het regenwaterriool vergroot. Het regenwaterriool voert rechtstreeks af op het Twentekanaal. Vanwege de grote bergingscapaciteit van het Twentekanaal is de extra hoeveelheid verhard oppervlak te verwaarlozen.

Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om laad- en loskades aan te brengen op delen langs het Twentekanaal waar in de huidige situatie taluds liggen. Het verhard oppervlak neemt hierdoor toe. Voor de wijze van hemelwaterafvoer vanaf dit extra verhard oppervlak moet zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de directe omgeving. Wanneer activiteiten plaatsvinden die een risco vormen voor de waterkwaliteit, moet aangesloten worden op het vuilwater- of gemengd riool. In andere gevallen kan het hemelwater afvoeren naar het Twentekanaal. Vanwege de grote bergingscapaciteit van het Twentekanaal is de extra hoeveelheid verhard oppervlak te verwaarlozen.

Voor het omgaan met hemelwater gelden daarnaast de volgende uitgangspunten:

  • hemelwater wordt zo min mogelijk verontreinigd en komt ten goede aan het oppervlakte- en grondwatersysteem;
  • voor verharde oppervlakken, bijvoorbeeld daken en goten waarmee het hemelwater in aanraking komt, wordt de toepassing van uitloogbare bouwmaterialen voorkomen;
  • het opvangen en afvoeren van hemelwater zoveel mogelijk voorkomen. Dit kan door het toepassen van bijvoorbeeld halfverharding of grasdaken;
  • hemelwater gescheiden van afvalwater opvangen, bergen en afvoeren;
  • hemelwater op eigen terrein bergen en infiltreren, indien niet mogelijk hemelwater afvoeren naar de perceelsgrens en gescheiden aanleveren;
  • infiltratie van hemelwater in de bodem via een bodempassage is op locaties waar dit mogelijk is de beste optie. Op deze manier wordt zuivering, retentie en grondwateraanvulling gerealiseerd.

Afvalwater

Door de plannen zal de hoeveelheid huishoudelijk- en/of bedrijfsafvalwater niet direct toenemen. Hemelwater van verhard oppervlak waar activiteiten plaatsvinden die een risco vormen voor de waterkwaliteit, moet aangesloten worden op het vuilwater- of gemengd riool. Verwacht wordt dat deze hoeveelheid beperkt is en geen significante invloed heeft op het functioneren van het systeem.

Voor het omgaan met afvalwater gelden de volgende uitgangspunten:

  • Het ontstaan van afvalwater minimaliseren;
  • Afvalwater niet vermengen met relatief schoon hemelwater;
  • Afvalwater afvoeren via een vuilwater of gemengd rioleringsstelsel.

Ontwatering/ afwatering

Door het aanbrengen van laad- en loskades die voorzien zijn van damwanden zullen grondwaterstromen richting het kanaal worden onderbroken. Als gevolg hiervan kunnen grondwaterstanden stijgen. Aangezien de grondwaterstanden dusdanig laag zijn, wordt naar verwachting wel voldaan aan de ontwateringseisen. Om te voorkomen dat wegen en bebouwing problemen krijgen met grondwater worden de onderstaande ontwateringsnormen gehanteerd. Ontwatering is het verschil tussen het peil van de weg/ de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand.

  • Wegen: ontwateringsdiepte van 0,70 meter, waarbij een zandbed met minimale dikte van 0,50 m aanwezig moet zijn. Een te hoge grondwaterstand kan opvriezen en opdooi van de fundering van de weg veroorzaken.
  • Bebouwing: de ontwateringsdiepte van bebouwing hangt af van het type gebouw. Voor woningen of gebouwen met een niet-waterdichte kruipruimte die goed toegankelijk moet zijn, dient de ontwatering zodanig te zijn dat zich geen grondwater in de kruipruimte bevindt. Als norm wordt vaak gehanteerd dat het grondwater tenminste 0,20 m beneden de vloer van de kruipruimte moet staan. Uitgaande van een 0,50 m hoge kruipruimte en een vloerdikte (woonvloer) van 0,20 m betekent dit een afstand van 0,90 m tussen de GHG en de bovenzijde van de vloer. Door kruipruimteloos te bouwen kan de ontwateringsnorm onder bepaalde voorwaarden met 0,30 m verminderd worden.
  • Groen: voor deze bestemming wordt meestal een ontwateringdiepte van 0,50 m onder maaiveld geadviseerd. Langdurige te hoge grondwaterstanden beïnvloeden de beworteling nadelig.

Om te voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt op de percelen gelden de volgende adviesnormen:

  • het vloerpeil van de bebouwing minimaal 0,20 m boven het dichtstbijzijnde wegpeil leggen;
  • perceel vlak of richting de weg af laten lopen;
  • de maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen.