direct naar inhoud van 5.1 Milieu
Plan: Binnenhaven en De Ossenboer
Status: concept
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.BP00034-0002

5.1 Milieu

De ruimtelijke ordening moet nadrukkelijk rekening houden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu en de beperkingen die milieuaspecten opleggen. De afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu is voor een deel verankerd in beleid, wet- en regelgeving. In de praktijk is het bestemmingsplan een belangrijk instrument voor een integrale afstemming tussen milieuaspecten en de ruimtelijke ordening en het doorvertalen van ruimtelijk relevante onderdelen van het milieubeleid.

Binnen het plangebied spelen diverse milieuaspecten een rol, onder andere vanwege de ligging aan belangrijke verkeerswegen van het plangebied en de bedrijvigheid in en rondom het plangebied.

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is de gemeente verplicht om de resultaten van het onderzoek naar de milieuaspecten te beschrijven in de plantoelichting. Hierbij moet rekening worden gehouden met de geldende wet- en regelgeving alsmede met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

In dit hoofdstuk wordt aangegeven of en zo ja, op welke wijze in dit bestemmingsplan rekening is gehouden met de verschillende milieu-aspecten. Aan de orde komen bodemkwaliteit, geluidhinder, milieuhinder van bedrijvigheid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, duurzaamheid en eventuele beperkingen als gevolg van kabels, leidingen en straalpaden.

5.1.1 Bodemkwaliteit

Het bodembeleid in Nederland zit in een hervormingsfase. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodems naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van risico's, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk mits er geen risico's zijn voor de gezondheid. Functiegericht saneren is dan voldoende.

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan nagegaan of dat plan uitvoerbaar is. De milieuhygiënische bodemgesteldheid kan daarbij een rol spelen.

De Ossenboer

In het verleden zijn alle kavels aan de westzijde van de Ossenboer onderzocht en waar noodzakelijk gesaneerd in de periode 2008-2009. Ter plaatse van het perceel Lonneker, sectie T, nr. 1709 (Het Lentfert 74) bevindt zich nog een grondwaterverontreiniging. Het grondwater is ter plaatse sterk verontreinigd met benzeen, naftaleen en minerale olie. Een actieve grondwatersanering vindt niet plaats. De grondwaterverontreiniging wordt de komende jaren gemonitord. Deze aanpak van de grondwaterverontreiniging is door het bevoegd gezag beschikt.

Het perceel aan De Ossenboer 5 is in april 2006 onderzocht. Op basis van de onderzoeksresultaten behoeft de bodem ter plaatse niet gesaneerd te worden. Uit informatie blijkt dat in de bodem ongeveer 70% bodemvreemd materiaal (puin e.d.) aanwezig is. Bij opgraven zal de grond moeten worden afgevoerd (grond bevat puin en mogelijk ook verontreinigingen). De hoeveelheid af te graven grond is afhankelijk van het herinrichtingsplan.

Ter plaatse van De Ossenboer 1 heeft in 2005 in verband met bouwwerkzaamheden een asbestsanering plaatsgevonden. Hierbij is in de grond een restverontreiniging (circa 50 m³) achtergebleven, welke is geisoleerd. Tevens bevindt zich in de bodem ook veel bodemvreemd materiaal (puin e.d.).

Kade Ir. Schiffstraat /Binnenhaven

Bodemonderzoek heeft niet plaatsgevonden omdat het nog steeds een watergang betreft. Zodra de kade wordt verbreedt, kan de grond worden toegepast welke voldoet aan de achtergrondwaarde, klasse industrie bij grootschalige toepassing.

Conclusie

De financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd door de milieuhygiënische bodemgesteldheid. Wel dient men rekening te houden met de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal (puin e.d.) ter plaatse van het onbebouwde perceel Lonneker, sectie T, nr. 1488 en het adres Ossenboer 1. Deze kosten zijn afhankelijk van de daadwerkelijke herontwikkeling.

5.1.2 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten is geregeld in verschillende wetten en regelingen. Afhankelijk van de bron en regeling gelden er voorkeursgrenswaarden, streefwaarden of maximale grenswaarden voor geluidsgevoelige bestemmingen. De normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai zijn opgenomen in de Wet geluidhinder. Luchtverkeerslawaai is niet in de Wet geluidhinder maar in de Luchtvaartwet geregeld.

Met het bestemmingsplan Binnenhaven en De Ossenboer wordt het oppervlak voor bedrijven vergroot. Dit wordt mogelijk gemaakt door de bestemming van de groenstrook aan de westzijde van De Ossenboer te wijzigen van 'Verkeersdoeleinden categorie 5' in de bestemming 'Bedrijventerrein'. Daarnaast wordt de mogelijkheid geboden om kades aan te leggen waardoor het bedrijventerrein van de aan het Twentekanaal gelegen bedrijven aan de Binnenhaven en Ir. E.L.C. Schiffstraat wordt vergroot. Binnen het plangebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt.

Met het bestemmingsplan Binnenhaven – De Ossenboer worden uitsluitend meer bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt. Voor geluid is dan ook uitsluitend industrielawaai van belang.

Wettelijk kader

Het plangebied is gelegen op het in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterrein “Havengebied/Usselerhalte”. De zone is vastgelegd bij Koninklijk besluit MBG 22N90008 d.d. 12 december 1990. De gezamenlijke geluidsbelasting, veroorzaakt door alle bedrijven op dit industrieterrein, mag op de zonegrens maximaal 50 dB(A) bedragen.

Overwegingen

De gemeente Enschede is de zonebeheerder van het industrieterrein Havengebied/Usselerhalte. Met een zonemodel wordt het cumulatieve geluid van alle bedrijven op het industrieterrein actief bewaakt. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat het cumulatieve langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van alle op het industrieterrein gelegen bedrijven te samen ter hoogte van de zonegrens een etmaalwaarde van 50 dB(A) niet overschrijdt.

De zonegrens wordt niet gewijzigd. Dit betekent dat de bijdrage van het extra oppervlak voor bedrijven op de zonegrens niet relevant mag zijn. Dit is het geval indien de bijdrage ten hoogste 30 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Uit een indicatieve berekening is gebleken dat het extra oppervlak voor bedrijven niet relevant is indien voor de kades en De Ossenboer wordt uitgegaan van een bronvermogen van respectievelijk ten hoogste 55 en 60 dB(A)/m2.

De milieucategorie voor de op het extra oppervlak te vestigen bedrijven varieert van milieucategorie 4.1 tot 5.2. Indien ervan wordt uitgegaan dat het aspect geluid bepalend is voor de milieucategorie dan is een bronvermogen van 55 of 60 dB(A)/m2 niet toereikend. Theoretisch kan dit een belemmeringen opleveren. In de praktijk zal dit echter niet het geval zijn omdat niet altijd het aspect geluid bepalend is voor de milieucategorie. Verder wordt het extra oppervlak toegevoegd aan percelen waarvoor reeds geluidsruimte in het zonemodel aanwezig is. Daarnaast kan met een juiste positionering van geluidsbronnen en afschermende objecten de geluidsbelasting worden beperkt.

Bij de oprichting of verandering van bedrijven die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) (artikel 1.1) een vergunning nodig hebben en/of moeten voldoen aan de regels van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) zal het aspect geluid specifiek aandacht behoeven. Zolang de geluidsbelasting van de bedrijven binnen de in het zonemodel gereserveerde geluidsruimte blijft zal dit geen belemmering zijn. Indien meer geluidsruimte nodig is dan de gereserveerde geluidsruimte dan kan dit mogelijk belemmeringen opleveren. Dit zal per geval bekeken worden.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.3 Bedrijven en milieuzonering

Veel potentiële conflictsituaties waarbij milieuaspecten in het geding zijn, kunnen worden voorkomen door toepassing van zonering. Zonering is in zijn algemeenheid een ruimtelijk middel voor het invullen en beheren van de ruimte. Hierbij wordt een scheiding tussen verschillende, vaak conflicterende, functies aangehouden. Vanwege dit ruimtelijk structurerend karakter kan een zonering in het bestemmingsplan juridisch worden vastgelegd.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter vergroting van de leefkwaliteit. Bij integrale milieuzonering wordt bovendien rekening gehouden met cumulatieve effecten. Voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming is de VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” (2009) in de praktijk een belangrijk hulpmiddel. Deze publicatie geeft voor vele bedrijfstypen, opslagen en installaties aan welke milieuaspecten een rol kunnen spelen en biedt een handreiking ten aanzien van welke gemiddelde afstanden tot woonbebouwing vanuit een goede ruimtelijke ordening 'passend' zijn. De genoemde richtafstanden zijn slechts indicatief, waardoor maatwerk op lokaal niveau noodzakelijk is.

Bedrijven binnen het plangebied

  • De Ossenboer

De bedrijfskavels aan de westzijde van De Ossenboer hebben op basis van het bestemmingsplan "Havengebied 2002" deels een verkeersbestemming. In het voorliggende bestemmingsplan wordt dit aangepast. De bestemming "Bedrijventerrein" wordt verruimd waardoor de bedrijfskavels alleen een bedrijfsbestemming hebben. De bestaande milieucategorieen worden doorgetrokken naar de gronden die een bedrijfsbestemming krijgen. Daarnaast wordt het bouwvlak gewijzigd in die zin, dat het aan de naar de weg toe gekeerde zijde van het bouwvlak recht getrokken wordt. Dit heeft tot gevolg dat het bouwvlak wordt verkleind.

  • Binnenhaven

De kavels aan de Binnenhaven krijgen planologisch de mogelijkheid tot het aanleggen van een laad- en loskade. De milieucategorie die van toepassing is op de kavels, wordt doorgetrokken naar het gebied waar de laad- en loskades aangelegd kunnen worden.

  • Ir. Schiffstraat

De bedrijfsbestemming wordt op deze locatie verruimd, in combinatie met het toevoegen van de planologische mogelijkheid tot de aanleg van laad- en loskades.

Op alledrie de locaties wordt de ruimte voor milieuactiviteiten vergroot in aansluiting op bestaande milieucategorieen. Hierdoor wordt de begrenzing van de milieuzonering op het bedrijventerrein niet gewijzigd. Op de vraag of bepaalde bedrijfsactiviteiten daadwerkelijk plaats kunnen vinden is de Wet milieubeheer van toepassing.

Conclusie:

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.4 Externe veiligheid

In de huidige maatschappij worden activiteiten ontplooid die risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee brengen. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij productie, opslag, transport (waaronder ook luchthavens) en gebruik van gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid of het nieuw vestigen van een dergelijke activiteit kan een beperking vormen voor de omgeving, doordat veiligheidsafstanden tussen risicovolle activiteiten en bijvoorbeeld woningen nodig zijn. Anderzijds is het rijksbeleid er op gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed op elkaar worden afgestemd.

De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare objecten (woningen, scholen, e.d.) en beperkt kwetsbare objecten (winkels, horeca, e.d.). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden- en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico kent dan ook geen contour, maar bij het groepsrisico is het bepalend hoeveel mensen zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophouden.

Wettelijk kader

De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid is vastgelegd in:

  • het Besluit en de Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI en REVI);
  • het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO);
  • het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BevB);
  • de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (cRNVGS) (Basisnet en Btev) voor spoor-, vaar- en verkeerswegen;
  • de Wet luchtvaart, het Besluit- en de Regeling burgerluchthavens (Bbl en Rbl) en de Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML).

Op de Risicokaart (www.risicokaart.nl) worden bedrijven en activiteiten die onder dit wettelijke kader vallen grafisch weergegeven. Iedere bevoegd gezag / vergunninghouder van een activiteit die daaronder valt is verplicht deze gegevens actueel te houden.

Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen

Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de gewijzigde en verlengde circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Ministeries van V&W, VROM en BZK, 2008). In de circulaire wordt uitgegaan van een risicobenadering. De risicobenadering bestaat uit een drietal stappen:

  • identificatie van risico's;
  • normstelling en toetsing aan normen;
  • indien noodzakelijk risicoreductie bij overschrijding van normen.

De identificatie van de risico's vormt de eerste stap. Als er geen (verhoogd) risico blijkt, kunnen de volgende stappen worden overgeslagen.

Voor het inventariseren van de risico's is gebruik gemaakt van de resultaten uit de inventarisatie inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water van het project 'Anker', (november 2005).

Omdat er thans wordt gewerkt aan nieuwe regelgeving is tevens de Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen bij de beoordeling betrokken. In de nota zijn de kaders van het externe veiligheidsbeleid voor vervoer van gevaarlijke stoffen beschreven en wordt de ontwikkeling van een basisnet aangekondigd.

Externe veiligheid en het plangebied

Bij het raadplegen van de risicokaarten van de gemeente Enschede en provincie Overijssel is gebleken dat er zich binnen het plangebied geen relevante bronnen of functies bevinden. In de directe nabijheid ligt een hogedruk aardgasleiding die onder het BevB valt en is er in de omgeving van het plangebied een bedrijf dat onder het BEVI valt. Hieronder worden deze aspecten beoordeeld.

  • Buisleidingen

Ten noorden van het plangebied is een 4” hogedruk aardgasleiding met een werkdruk van 40 bar gelegen die onder het ”Besluit externe veiligheid buisleidingen” valt. De leiding kent geen 10-6 contour voor wat betreft het plaatsgebonden risico en het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van 65 meter.

Conclusie: De ligging van deze aardgasleiding vormt op grond van het BevB geen belemmering voor onderhavig plan. Berekening in het rekenprogramma “Carola” voor de hele Gemeente Enschede bevestigt dit beeld.

  • Bevi-inrichting

Ten noorden van het plangebied ligt Apollo Vredestein aan de Ir. Schiffstraat 370. Het bedrijf valt vanwege haar PGS-opslag onder het ”Besluit externe veiligheid Inrichtingen”. Het bedrijf kent een 10-6 contour van 20 meter en een invloedsgebied van 300 meter. Het plangebied is buiten de 10-6 contour gelegen, het invloedsgebied reikt wel over het plangebied, maar het plan leidt niet tot een significante toename van het aantal aanwezigen. De consequenties met betrekking tot het groepsrisico zijn derhalve niet relevant.

Conclusie: Het bedrijf vormt op grond van het BEVI geen belemmering voor onderhavig plan.

Algemene Conclusie

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich activiteiten, een hogedruk aardgasleiding en een Bevi-inrichting, die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Deze relevante aspecten zijn in kaart gebracht en op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor het onderhavige plan.

5.1.5 Luchtkwaliteit

In verband met de voorgenomen herstructurering van het Havengebied in Enschede, waarbij sprake is van uitbreiding van het oppervlak met een bedrijfsbestemming, is een ruimtelijke procedure benodigd waarin o.a. de milieugevolgen inzichtelijk moeten worden gemaakt. Om inzicht te geven in de gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is een onderzoek ingesteld waarin de gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn bepaald. Het betreft het rapport 'Toets luchtkwaliteit ten behoeve van ruimtelijke onderbouwing', d.d. 8 mei 2013, onder nummer 3313001, revisie A, opgesteld door Tebodin. De rapportage met de resultaten van dit onderzoek is in bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.

In deze paragraaf wordt eerst het wettelijk kader beschreven, waarna de onderzoeksresultaten en de conclusies van het onderzoek beknopt worden weergegeven.

Wettelijk kader

De Europese regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit is in Nederland geïmplementeerd in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet Milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet Luchtkwaliteit' geen belemmering voor de in art. 5.16 lid 2 opgenomen besluiten en bevoegdheden indien:

  • Geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;
  • Een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • Een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;

Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend.

De regelgeving behorend bij de Wet Luchtkwaliteit is uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur (AmvB's) en Ministeriële Regelingen. Zo zijn inmiddels de volgende besluiten en regelingen in werking getreden:

  • Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • De Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • De Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007;
  • De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007;
  • Het Besluit gevoelige bestemmingen.

Verder is in de 'Wet Luchtkwaliteit' het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geïntroduceerd. Het NSL bevat afspraken om op nationaal, provinciaal en plaatselijk niveau de gestelde luchtkwaliteitseisen te halen. De maatregelen hierbij zijn gericht op het halen van de grenswaarden voor PM10 uiterlijk medio 2011 en voor NO2 uiterlijk 1 januari 2015. Kenmerk van de maatregelen, die het NSL bevat, is het ervoor zorgen dat de huidige overschrijdingen worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 vastgesteld.

Beoordeling onderzoeksresultaten gemeente Enschede

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet Luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien:

  • geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde.
  • een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (zie onderstaande toelichting).
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend.

In het onderzoek is de invloed van de extra oppervlakte aan bedrijfsterrein, in combinatie met de toename van het aantal schepen, bepaald. Uit het onderzoek is gebleken dat aan de grenswaarden uit de Wet Milieubeheer kan worden voldaan.

In het rapport is ten onrechte geen rekening gehouden met de aanpassing van de zeezoutcorrectie zo die eind 2012 is opgenomen in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Hierdoor zijn de berekende concentraties enigszins onderschat. Gelet op de ruime marge tot de grenswaarde zal deze omissie geen gevolgen hebben voor de conclusie van het onderzoek dat aan de grenswaarden wordt voldaan. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit ligt er geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.1.6 Kabels, leidingen en straalpaden

Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de diverse functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels, leidingen en straalpaden voor telecommunicatie. Dit houdt verband met de mogelijke beperkingen aan het gebruik en/of bebouwing als gevolg van aan te houden afstanden tot gevoelige functies en maximale hoogten. Ruimtelijk relevante leidingen en straalpaden worden op de verbeelding vastgelegd en in de planregels nader geregeld. Dit betreft de hoofdtransportleidingen voor gas en brandstof, leidingen voor het vervoer van risicovolle stoffen, bovengrondse en ondergrondse hoogspanningsleidingen en straalpaden.

Binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan liggen geen kabels of straalpaden, die een belemmering vormen voor de toegelaten functie en die door middel van een juridische regeling in het bestemmingsplan beschermd zouden moeten worden.

Hoogspanningslijnen en/of -leidingen

In onze leefomgeving komen allerlei vormen van straling en elektromagnetische velden voor. De manier waarop mensen worden blootgesteld, de gezondheidseffecten en de wet en regelgeving verschillen voor de verschillende stralingsbronnen. Hoogspanningslijnen zijn een bron van elektromagnetische straling (laagfrequente elektromagnetische velden).

Beleid met betrekking tot hoogspanningslijnen en/of - leidingen

Het landelijk beleid ten aanzien van hoogspanningslijnen is weergegeven in een brief van de staatssecretaris van oktober 2005 aan gemeenten, provincies en netbeheerders. Dit beleid richt zich op nieuwe situaties. Er is sprake van nieuwe situaties:

  • bij aanleg of wijziging van nieuwe bovengrondse hoogspanningslijnen;
  • bij nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van bestaande hoogspanningslijnen.

Bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het wijzigen van bestaande bestemmingsplannen moet met dit nieuwe beleid rekening worden gehouden.

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is de indicatieve zone van de hoogspanningslijnen binnen het plangebied aangegeven. De zogenaamde netkaart geeft de breedte van deze indicatieve zone weer. Als het nieuwe bestemmingsplan niet overlapt met de indicatieve zone, dan heeft het hoogspanningslijnenbeleid geen gevolgen voor de verdere planvorming. Overlapt het bestemmingsplan wel met de indicatieve zone, dan is het van belang de zogenaamde specifieke zone te bepalen. Die specifieke zone bepaalt het ruimtebeslag van de bovengrondse hoogspanningslijn. Overlapt een nieuw bestemmingsplan de indicatieve zone, dan wordt geadviseerd, in overleg met de netbeheerder, de specifieke zone op die locatie te berekenen. Voor die berekening bestaat een handreiking. Overlapt het nieuwe bestemmingsplan ook met de specifieke zone, dan wordt geadviseerd om binnen die zone geen gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) te realiseren.

Voor een nieuwe hoogspanningslijn wordt direct uitgegaan van de specifieke zone. Doel van het advies is dan om het tracé zodanig te kiezen dat er zo weinig mogelijk gevoelige bestemmingen binnen die zone liggen.

Bij het wijzigen van een bestaand bestemmingsplan of wijzigingen aan een bestaande hoogspanningslijn is het aantal gevoelige bestemmingen in de specifieke zone (voor en na wijziging) maatgevend. Als dit door de voorgenomen wijziging niet toeneemt, dan is die wijziging niet bezwaarlijk.

De gemeente Enschede volgt voor hoogspanningslijnen het landelijke beleid.