direct naar inhoud van 3.3 Gemeentelijk beleid
Plan: Binnenhaven en De Ossenboer
Status: concept
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.BP00034-0002

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie

Op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer structuurvisies vast. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied, alsmede de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid. De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop de raad zich voorstelt die voorgenomen ontwikkeling te doen verwezenlijken.

De gemeenteraad van Enschede heeft op 26 september 2011 de Structuurvisie vastgesteld, waarin het belangrijkste bestaande ruimtelijk beleid uit diverse nota's is opgenomen en met elkaar in relatie is gebracht. Het gaat hier om de ruimtelijke ontwikkelingen voor de toekomst op het gebied van wonen, groen, economie, verkeer, milieu en gebiedsontwikkeling. De structuurvisie bevat hiermee de kern van hoofdonderwerpen op stedelijk niveau.

Deze structuurvisie is een beleidsdocument dat continue in ontwikkeling is. De stad ontwikkelt zich en het ruimtelijk beleid groeit hierin mee. Het is de ambitie om in de toekomst meer ruimtelijk beleid of stedelijke ontwikkelingen op te nemen in de structuurvisie. Ook zal het bestaande beleid regelmatig worden herijkt. Hiermee is de structuurvisie dynamisch en kan altijd inspelen op actuele thema's. Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen en nieuw stedelijk beleid zal de structuurvisie worden aangevuld om zo mee te kunnen gaan in de dynamiek van stedelijke ontwikkeling en zo een actueel kader te vormen voor burgers en bedrijven. Daarom is gekozen voor een volledig digitale structuurvisie, waarbij sectorale en gebiedsgerichte uitwerkingen snel geïntegreerd kunnen worden. De structuurvisie beoogt geen sectorale of gebiedsgerichte beleidsstukken te vervangen, maar de hoofdlijnen van al dit beleid in samenhang te presenteren. Hiermee wordt de hoofdlijn van het langjarig ruimtelijk beleid vastgelegd en blijft er op projectniveau flexibliteit om op veranderingen te kunnen anticiperen. Hierdoor is de structuurvisie geen op zichzelf staand document, maar bevat het beleid voor gebieden en lijnen met verwijzingen naar de achterliggende beleidsstukken waarmee de bredere context en beleid duidelijk worden.

Het havengebied ligt in wat in de Structuurvisie wordt aangemerkt als het "stedelijk gebied". Binnen het plangebied zijn op basis van de structuurvisie stedelijke functies toegestaan. Havenactiviteiten vallen onder het begrip "stedelijke functies". Daarnaast is het thema "duurzaamheid" van toepassing. Voor de concrete eisen vanuit duurzaamheid wordt verwezen naar het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid in paragraaf 3.3.3.

3.3.2 Economische visie

Enschede maakt onderdeel uit van en draagt bij aan de regionale Twentse economie. Die economie wordt grotendeels beïnvloed door de conjuncturele situatie. Enschede en Twente zijn relatief hard geraakt door de economische crisis.

Sinds het wegvallen van een belangrijk deel van de industriële basis (textiel en grootmetaal in de jaren 60 en 70) kent Twente een aantal sociaal-economische achterstanden:

  • Het bruto regionaal product per inwoner blijft achter bij landelijk gemiddelde;
  • De ontwikkeling van de werkgelegenheid (Enschede, Twente) loopt achter op Nederlands gemiddelde en het gemiddelde van de G-32;
  • Participatiegraad Enschede en Twente ligt lager dan het landelijk gemiddelde en gemiddelde referentiesteden. Vergeleken met Nederland en referentiesteden telt de Enschedese en Twentse beroepsbevolking relatief weinig hoger opgeleiden en veel middelbaar opgeleiden;
  • De werkloosheid is hoger dan het landelijk gemiddelde;
  • Tegelijkertijd heeft Twente zich de afgelopen jaren ontwikkeld tot een kennisregio, met een aantal internationaal erkende kennis technologieën, een dynamisch ecosysteem van bedrijven, veel kennisintensieve starters, een wervend vestigingsklimaat en sterk organiserend vermogen.

De route naar Enschede 2020: Enschede in sterk Twente

De ondernemers en werkgevers in Enschede staan de komende jaren voor grote uitdagingen. Hoe kunnen we groeien in tijden van economische recessie? In een mondiale markt met wegvallende grenzen en toenemende transparantie door internet? Hoe creëren we toegevoegde waarde, waar zit ons concurrentievoordeel?

Met betrekking tot het havengebied is uit de Economische visie het volgende van belang:

Op basis van de Economische visie wordt ingezet op onder andere een optimale bereikbaarheid als onderscheidend voordeel: zowel fysiek als digitaal. Investeren in de bereikbaarheid via weg (A1 en N18), spoor (reistijden, Duitsland), lucht (Luchthaven Twente), water (ontwikkeling havengebied, potentie Twentekanaal) en de digitale ontsluiting (glasvezel). Financiële, bestuurlijke en ambtelijke inzet hierop richten, zoveel mogelijk m.b.v. SMART-doelstellingen. Bereikbaarheid is één van de 5 thema's die uitgewerkt wordt in het economische uitvoeringsprogramma.

3.3.3 Duurzaamheid

'Duurzame ontwikkeling' is het kernbegrip in het rapport 'Our Common Future', dat in 1987 werd uitgebracht door de VN-Commissie Brundtland. Brundtland legde een duidelijke verbinding tussen economische groei, milieuvraagstukken en armoede- en ontwikkelingsproblematiek. Het rapport stelt dat armoede een belemmering vormt voor duurzaam gebruik van de natuurlijke omgeving en dat integratie van natuurbehoud en economische ontwikkeling nodig is voor duurzame ontwikkeling.

In de in voorbereiding zijnde structuurvisie Enschede 2011 wordt, in navolging van de VN-Commissie Brundtland, onder een duurzame ontwikkeling een ontwikkeling verstaan, waarbij  in de behoeften van de huidige generatie wordt voorzien, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.

In de gemeentelijke structuurvisie worden de volgende facetten van duurzaamheid onderscheiden:

Energie- en klimaatbeleid

Het energie- en klimaatbeleid van de gemeente Enschede is zowel gericht op het voorkomen van (mitigatie) als op het aanpassen aan (adaptie) de gevolgen van klimaatverandering. In de op 16 november 2009 door de gemeenteraad vastgestelde beleidsnota Nieuwe energie voor Enschede heeft de gemeenteraad de ambitie uitgesproken om de CO2-uitstoot in Enschede in 2020 met 30 procent te hebben gereduceerd ten opzichte van het niveau in 1990. Bovendien is aangegeven dat gestreefd wordt naar een aandeel duurzame energie van 20 procent in het totale energiegebruik in 2020.

Met deze ambitieuze opgaven wordt ingezet op vermindering van de snelheid en omvang van de klimaatverandering door het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen.

De beoogde energietransitie verloopt langs de volgende sporen:

Thema   Omschrijving  
Bestaande gebouwde omgeving
 
Blijven intensiveren op energiebesparing in de bestaande woningvoorraad (zowel met particuliere eigenaren als met corporaties).
Bovendien doorgaan met de combinatie van energiebesparingsprojecten, binnenluchtkwaliteit, voorlichting en gedragsverandering gericht op klimaatneutrale en frisse scholen.  
Duurzame gebiedsontwikkeling
 
Duurzaamheid is een sturend thema bij de (actualisatie van) gebiedsontwikkeling.  
Duurzame energieopwekking   Actief initiëren, faciliteren en participeren bij innovatieve opwekking van duurzame (hernieuwbare) energie in de stad en de regio (wind, zon, bio-energie, bodem).  
Communicatie en participatie   De huidige campagne 'Doe groen. Dat scheelt' wordt intensief gericht op de burger met als doel de burger bewust energiebesparend te gaan laten handelen. De website zal worden vernieuwd en innovatieve, social media technieken worden ontwikkeld.  
Gemeentelijke organisatie   In de eigen organisatie sturen op duurzaam inkopen, duurzaam eigen vervoer, energiebesparing eigen gebouwen en duurzame energie op eigen gebouwen.  
Verkeer en vervoer
 
In de “Mobiliteitsvisie Enschede” is ruime aandacht voor duurzaamheid.
Onderwerpen:
- gebruik van energiezuiniger bussen;
- (eigen) auto's die op aardgas rijden en elektrisch vervoer;
- verschuivingen in het gebruik van vervoerswijzen (de zogenaamde “modal
split”) naar energiezuiniger vervoer: Stimuleren OV- en fietsgebruik.  
Industrie en bedrijvigheid
 
Onderwerpen:
- stimuleren van bedrijvigheid op het snijvlak van innovatie en duurzaamheid;
- een gemeentelijk samenwerkingsconvenant over duurzaamheid met
bedrijven, KvK e.a.;
- uitnutten van de mogelijkheden tot handhaving van de landelijke afspraken
en regelgeving.  

Bij toekomstige gebiedsontwikkelingen wordt de trias energetica als ontwerpprincipe genomen. De trias energetica is een door de Novem ontwikkeld driestappenplan bedoeld voor bedrijven, huishoudens, overheden, om stap voor stap klimaatneutraal te worden. De stappen betreffen:

  • beperk het energieverbruik door verspilling tegen te gaan;
  • gebruik duurzame energiebronnen, zoals wind-, water-, en zonne-energie;
  • zet fossiele brandstoffen zo efficiënt mogelijk in om aan de resterende energiebehoefte te voldoen.

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zal, afhankelijk van de opgave en de locatie, bezien moeten worden welke duurzame energiebronnen aangeboord worden. Dit kan er toe leiden dat in het ene geval ingezet wordt op een zongerichte verkaveling, terwijl in het andere geval gekoerst wordt op het gebruik van bodem- en/of windenergie, c.q. aansluiting op het warmtenet. Ook de aanpassing aan de klimaatverandering is in hoge mate een ruimtelijk vraagstuk. Meer warme zomers en een toenemende kans op extreme weersituaties vragen bij een verdere ontwikkeling van de stad om het vergroten van afvoer- en absorptievermogen in stedelijke watersystemen en het voorkomen van 'hitte-eilanden' en hittestress.

Behoud van bioversiteit

Wilde soorten dieren en planten kunnen het best worden behouden door ze in hun natuurlijke leefgebieden te beschermen (in situ-bescherming). Voor een aanzienlijk aantal soorten is de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de aanwijzing van Natura 2000 gebieden een belangrijk middel voor bescherming.

Wilde planten en dieren houden zich echter niet aan de grenzen van de EHS. Ook het stedelijk gebied is rijk aan wilde dieren en planten. Behoud van biodiversiteit vergt dus ook een inspanning in de ruimte buiten de EHS, onder meer door de inrichting en het beheer van groen mede te richten op behoud en ontwikkeling van ecologische waarden, maar ook door een adequate uitvoering van de Flora en faunawet.

Kwaliteit van bodem, water en lucht

De bodem, het water en de lucht zijn van belang voor mens, plant en dier. De rijksoverheid beschermt de kwaliteit van bodem, water en lucht door middel van regelgeving, die in het ene geval wel en in het andere geval geen ruimte voor lokale afwegingen laat. De gemeente Enschede is voornemens, daar waar regelgeving van hogere overheden dit mogelijk maakt, hieromtrent nader beleid te formuleren in de vorm van milieustreefbeelden.

Zuinig en zorgvuldig gebruik van grondstoffen, energie, land en water

Bevolkingsgroei en economische ontwikkeling leiden tot een steeds grotere vraag naar grondstoffen, energie, land en water. Veel van deze natuurlijke hulpbronnen zijn eindig; voor andere geldt dat een beperkte toegankelijkheid van deze hulpbronnen aanstaande is. Deze ontwikkeling maakt dat bij een duurzame ontwikkeling zuinig en zorgvuldig moet worden omgesprongen met land en water en dat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare materialen.

Om van een integrale duurzame ruimtelijke ontwikkeling te kunnen spreken, dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen aan al deze deelthema's aandacht te worden besteed. Het voorgaande laat onverlet dat binnen het duurzaamheidsbeleid aan het energie- en klimaatbeleid bijzondere betekenis toe komt. Uitgangspunt is dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in ieder geval bijdragen aan de gemeentelijke energie- en klimaatsdoelstellingen.

Uitgangspunten voor dit bestemmingsplan

Uitgangspunt is dat dit bestemmingsplan een bijdrage levert aan c.q. rekening houdt met de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Enschede en het scheppen van zo goed mogelijke voorwaarden voor 'duurzame ruimtelijke ontwikkelingen'. Voor wat betreft het energie- en klimaatbeleid is uitgangspunt bij de opstelling van het plan geweest dat het voorliggende plan geen belemmering mag vormen bij de opwekking van hernieuwbare energie door particulieren en bedrijven. Concreet brengt dit met zich dat de toepassing van warmte/koude-opslag en de plaatsing van zonnepanelen of waterboilers op daken van gebouwen is toegestaan.

Aangezien de plaatsing van collectoren voor warmte- of elektriciteitsopwekking op een dak van een bijbehorend bouwwerk of hoofdgebouw vergunningvrij is, als voldaan wordt aan de in artikel 2, onder 6, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht genoemde voorwaarden, is afgezien hieromtrent bepalingen op te nemen in de bestemmingsomschrijving binnen de verschillende bestemmingen.

3.3.4 Externe veiligheidsbeleid

Het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Enschede is vastgelegd in de Externe Veiligheidsvisie (EV-visie), die op 18 juni 2007 door de gemeenteraad van Enschede is vastgesteld. In de EV-visie wordt onderscheid gemaakt in het naleven van wettelijk vastgelegde grenswaarden (naleven van landelijk beleid en regelgeving) en de vermindering van risico dat verder gaat dan het landelijk beleid (ambitie). Eén van de uitgangspunten van de EV-visie is: 'een benadering op maat gericht op naleving van vigerend landelijk risicobeleid (wegnemen knelpunten). Daar waar al aan landelijke eisen voldaan wordt, streven naar risicoreductie en actieve verantwoording over omgaan met restrisico's (preparatie van brandweer, strikte handhaving op veiligheidsaspecten) naar bevolking en betrokken bedrijven'.

De ambitie binnen het gemeentelijk beleidskader heeft, met inzet van eigen middelen, geleid tot een start van deze uitvoering. Het gemeentelijk en het landelijk beleidskader eisen hetzelfde resultaat met het verschil dat het gemeentelijk beleidskader de maatregelen sneller wil doorvoeren dan landelijk vereist is. Naast de Bevi inrichtingen (die als prioritaire bedrijven worden aangewezen binnen de gemeente) kunnen middels een checklist, opgesteld door de gemeente Enschede, ook andere inrichtingen als “prioritair” worden aangewezen. Bij deze inrichtingen zou een plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 buiten de terreingrens mogelijk kunnen zijn. Deze bedrijven vallen niet onder het Bevi maar in het kader van de externe veiligheid dient daarmee wel rekening te worden gehouden.

3.3.5 Watervisie

De “Watervisie Enschede- de blauwe aders terug in de stad” is in oktober 2002 door de gemeenteraad van Enschede vastgesteld. De hierin opgenomen principes vormen de basis voor de aanpak en benadering van de waterhuishouding van Enschede en zijn afgeleid uit de richtlijnen die de rijksoverheid heeft vastgesteld voor het waterbeheer in Nederland. De missie van de watervisie is het aanzetten tot het aanpakken van problemen en het grijpen van de kansen in het stedelijk waterbeheer. Ter ondersteuning van de missie zijn in de watervisie drie doelstellingen opgenomen:

  • 1. Water moet een leidende rol vervullen bij de ruimtelijke inrichting,
  • 2. Samenwerking tussen de verschillende 'waterpartners' (bijvoorbeeld het waterschap), de gemeentelijke organisatie en samenwerking tussen de gemeente en de bewoners moet bevorderd worden,
  • 3. Water moet weer in de belevingswereld van de bewoners komen.

Om de watervisie in 2030 werkelijkheid te kunnen laten zijn, moet de visie een samenhangend geheel vormen en moeten betrokken partijen intensief met elkaar samenwerken. Het geraamte van de visie bestaat uit een viertal leidende principes, die zijn afgeleid uit de richtlijnen die de rijksoverheid heeft vastgesteld voor het waterbeheer in Nederland:

  • a. Vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren: regenwater dient zo min mogelijk uit het stedelijk gebied afgevoerd te worden. De achtergrond van dit principe is dat door versnelde afvoer van hemelwater stroomafwaarts problemen in de waterhuishouding ontstaan.
  • b. Herstellen van de nierwerking: het zoveel mogelijk scheiden van schone en vuile waterstromen, waarbij het schone water mogelijkheden biedt tot (her)gebruik en het vuile water afgevoerd moet worden naar de zuivering.
  • c. Een doelmatige waterketen: minimaliseren van de kosten van de keten, het minimaliseren van de negatieve effecten op het milieu en het vergroten van de dienstverlening naar de gebruiker van de waterketen.
  • d. Beleving van water: door water een expliciete rol te geven in de leefomgeving van mensen,kan de kwaliteit van de ruimtelijke inrichting worden vergroot.

De vier principes zijn vertaald naar een beeld voor het waterbeheer in 2030. De zogenaamde 'blauwe aders' (waterlopen) vormen de hoofdstructuur van het beeld. De rode lijn in onderstaande figuur stelt de waterscheiding voor. De ader ten oosten van de waterscheiding (pijl 1) zorgt voor afvoer van hemelwater in het Dinkelsysteem. De aders ten westen zorgen voor afvoer van hemelwater in het Reggesysteem en het Twentekanaal. De zoekgebieden voor deze aders zijn voor een deel al ingevuld, zoals de blauwe ader parallel aan de spoorlijn (pijl 3). Daarnaast is de reconstructie van de Roombeek (deel van pijl 2) al in een vergevorderd stadium. Deze blauwe ader (pijl 2) moet afwateren op het universiteitsterrein. Ook zijn evenwijdig aan de A35 voorzieningen getroffen voor het transport van oppervlaktewater. Hier kunnen zowel een ader uit Enschede-Zuid (pijl 6), als een ader uit het centrum (pijl 5) op aangesloten worden. De slagader vanuit het centrum naar de haven in het Twentekanaal (pijl 4) moet nog volledig gerealiseerd worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00034-0002_0010.jpg"

afbeelding 9: zoekgebieden "blauwe aders"

Op het niveau van het plangebied dient het regenwater afgekoppeld te worden. Aanvullend dient het regenwater zoveel mogelijk binnen het havengebied geïnfiltreerd, geborgen en zichtbaar gemaakt te worden.

3.3.6 Gemeentelijk Rioleringsplan

In het Gemeentelijk Rioleringsplan zijn de watertaken van de gemeente vastgelegd voor de periode 2012 tot 2015. Het GRP is door de gemeenteraad vastgesteld in oktober 2011.

De gemeentelijke watertaken zijn:

  • inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater;
  • inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater, als dit redelijkerwijs niet van particulieren kan worden verwacht;
  • voorkomen van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand, voor zover dit niet tot de zorg van het waterschap, de provincie of particulieren behoort.

Met als randvoorwaarden:

  • doelmatigheid;
  • zo min mogelijk nadelige gevolgen voor de omgeving;
  • zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu.


Afvalwater

We zorgen voor het inzamelen en transporteren van al het stedelijk afvalwater dat vrijkomt binnen het grondgebied van de gemeente Enschede. Dit omvat al het huishoudelijk afvalwater, of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater. Wel is onze eis daarbij dat men het afvalwater aanbiedt volgens de daaraan gestelde regels. Dit betekent dat je daar waar geen gemengde riolering aanwezig is het afvalwater gescheiden van het hemelwater aanlevert. Na renovaties en herinrichting moet afvalwater ook gescheiden van het hemelwater aangeboden worden. Wij zorgen voor (vuilwater)riolering vanaf de erfgrens van woning of bedrijf. Het afvalwater transporteren we naar de rioolwaterzuivering. Het zuiveren van dit water is een taak van het waterschap Regge en Dinkel.

Hemelwater

Hemelwater houden we uit het afvalwaterstelsel (gemengde riolering en afvalwaterriolering) Dit betekent dat bedrijven en particulieren het hemelwater dat op hun perceel valt, eerst zelf op eigen perceel moet proberen te verwerken en indien dat niet redelijkerwijs kan, het gescheiden aan moeten leveren aan de riolering. Dit geldt voor alle nieuwbouw en bestaande bouw, tenzij het afvalwater en hemelwater oorspronkelijk werd afgevoerd naar het gemengd riool. De gemengde rioolstelsels bij enkele bestaande bedrijventerreinen bouwen we bij reguliere vervanging om tot (verbeterd) gescheiden stelsels.

In de komende planperiode gaan we voortvarend door met het verder afkoppelen van verhard oppervlak. Tegelijkertijd worden beken hersteld om een afvoer voor schoon regenwater en grondwater mogelijk te maken. Het hemelwater van een groot aantal afgekoppelde oppervlakken wordt dan naar bestaande en nieuwe waterstructuren.

Grondwater

Perceeleigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor het grondwater op eigen terrein. Dat betekent dat de afvoer van dat grondwater naar een, eventueel door de gemeente aangelegde, drainageleiding voor eigen rekening komt. Dit beleid werkte de afgelopen drie jaren goed en daarom zetten we dit ook door. Dit betekent dat we maatregelen in openbare gemeentelijke gebieden treffen als er sprake is van structurele nadelige gevolgen door de grondwaterstand. Voorwaarde is wel dat de te nemen maatregelen doelmatig zijn en deze niet tot de zorg van het waterschap of de provincie behoren.

Onder structureel nadelige gevolgen verstaan we gevolgen die:

  • tenminste jaarlijks terugkeren;
  • niet tijdelijk zijn (tenminste 5 jaar);
  • tenminste één maand continu aanhouden;
  • stabiel of toenemend zijn;
  • van significante omvang zijn.

Maatregelen vinden we doelmatig als:

  • ze effectief zijn en dus de problemen voorkomen of aanzienlijk beperken;
  • ze efficiënt zijn en er geen alternatieven zijn die goedkoper of effectiever zijn;
  • de kosten van de maatregelen in redelijke verhouding staan met de nadelige gevolgen.
3.3.7 Geluidnota

Door de gemeente Enschede is nieuw geluidbeleid (Geluidnota Enschede 2009-2012) ontwikkeld dat in april 2009 in werking is getreden. De Wet geluidhinder en het BARIM (Activiteitenbesluit) bieden de gemeente de mogelijkheid om voor inrichtingen gebiedsgericht geluidbeleid vast te stellen. De gemeente Enschede maakt van deze mogelijkheid gebruik. Dit betekent dat voor nieuwe inrichtingen het nieuwe beleid gaat gelden. Voor inrichtingen zijn in de Geluidnota per te onderscheiden gebieden in Enschede conform een gebiedskaart richtwaarden vastgelegd. Hierdoor is de geluidruimte voor inrichtingen van meet af aan duidelijk.

Het havengebied in Enschede is een gezoneerd industrieterrein. Op de gezoneerde industrieterreinen mogen inrichtingen met een verhoogde kans op (geluid)hinder (zogenaamde “grote lawaaimakers” , dat zijn inrichtingen genoemd in het Inrichtingen en Vergunningen Besluit, Ivb, art 2.4, ook wel A-inrichtingen genoemd) zich vestigen.

3.3.8 Archeologiebeleid

Op 28 januari 2008 heeft de gemeenteraad van Enschede het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. Hierin is opgenomen op welke wijze binnen de gemeente Enschede invulling wordt gegeven aan de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Op basis van het beleid dient archeologie op een dusdanig vroeg tijdstip te worden betrokken bij planontwikkelingen en/of aanvragen voor bouw-, sloop- of aanlegvergunningen dat de risico's van bodemverstoringen voor de archeologie voorafgaand aan de werkzaamheden in kaart kunnen worden gebracht. Hierbij is het van belang dat inzicht bestaat in de archeologische verwachtingswaarde en de trefkans dat waardevolle archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Daarbij geldt dat de geologie, de geomorfologie en de aard van de bodem zeer bepalend zijn voor de archeologische verwachtingswaarde. Gesteld kan worden dat tot de Middeleeuwen nederzettingen meestal gelegen waren op hooggelegen gronden (stroomruggen en oeverwallen). In de Middeleeuwen en daarna heeft zich op een deel van deze gronden een esdek gevormd. In deze hoger gelegen gebieden zijn resten van nederzettingen uit diverse periodes te verwachten. Op basis van kennis over het hiervoor genoemde kan een indicatie worden gegeven over hoe groot de kans is dat ergens waardevolle archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Deze indicaties ten aanzien van gebiedsspecifieke verwachtingen zijn op een archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Enschede aangegeven. Voor gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde en waardevolle terreinen geldt een archeologische onderzoeksplicht.

In de beleidsnota is een handleiding voor het archeologisch werkproces opgenomen, met daarin te onderscheiden processtappen van inventarisatie, waardering, selectie en specifieke beheersmaatregelen.

Archeologiebeleid en het plangebied

Onderstaande afbeeldingen geven het plangebied weer. Op deze afbeeldingen is aangegeven wat voor beleidstype van toepassing is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00034-0002_0011.jpg"

Afbeelding 10: archeologiebeleid De Ossenboer

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00034-0002_0012.jpg"

Afbeelding 11: archeologiebeleid Binnenhaven

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.BP00034-0002_0013.jpg"

Afbeelding 12: archeologiebeleid Ir. Schiffstraat


Het grootste deel van het plangebied maakt deel uit van onderzoeksgebied B. Voor gebieden met de aanduiding "archeologisch onderzoek b" is bepaald dat op deze gronden geen bouwwerken mogen worden opgericht die een bodemverstoring veroorzaken dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld en met een bodemverstorinsoppervlakte van meer dan 2500 m2. Burgemeester en wethouders mogen hiervan bij een omgevingsvergunning afwijken indien uit een archeologisch vooronderzoek blijkt dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn of dar er geen onevenredige aantasting plaats vindt van de aanwezige archeologische waarden.

Een deel van het plangebied is gelegen binnen onderzoeksgebied A. Voor deze gebieden geldt, dat bij een bodemverstoring van meer dan 250 m2 en waarbij dieper dan 50 cm wordt verstoord, een archeologisch vooronderzoek plaats moet vinden.