direct naar inhoud van Artikel 4 Water - Vaarweg
Plan: Binnenhaven en De Ossenboer
Status: concept
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.BP00034-0002

Artikel 4 Water - Vaarweg

4.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Water-Vaarweg” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. waterhuishouding;
    • 2. waterbeheer en waterberging;
    • 3. verkeer te water;
    • 4. laad- en loswal ten behoeve van opslag, overslag en het laden en lossen van goederen;
    • 5. bij deze doeleinden behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere werken en voorzieningen, zoals bruggen, kades, dammen en/of duikers, oeverbeschoeiingen, aanlegsteigers, nuts- en groenvoorzieningen.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 4.2”, zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan die zijn genoemd in de categorieën 1 t/m 4.2 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen (bijlage 1);
  • c. Ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 5.1”, zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan die zijn genoemd in de categorieën 1 t/m 5.1 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen (bijlage 1);
  • d. Ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 5.2”, zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan die zijn genoemd in de categorieën 1 t/m 5.2 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen (bijlage 1);
  • e. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' is de ligging van maximaal 1 vaartuig, niet zijnde een zee- of binnenschip, met een maximaal bruto vloeroppervlak van 100 m2 toegestaan, bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in de categorieën 2 en 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen (bijlage 1).
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Op de voor “Water-Vaarweg” aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 4.1.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De bouwhoogte van hijskranen mag maximaal 30 meter bedragen;
  • b. De bouwhoogte van kunstobjecten, vlaggen- en lichtmasten mag maximaal 10 meter bedragen;
  • c. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 5 meter bedragen.
4.3 Afwijken van de bouwregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
    • 1. lid 4.2.2, onder c, voor een bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 meter.
  • b. De in dit lid genoemde afwijkingen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de milieusituatie;
    • 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
4.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval gerekend:
    • 1. het gebruik van gronden ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen;
    • 2. het gebruik van bouwwerken ten behoeve van bewoning;
    • 3. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
    • 4. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van horeca;
    • 5. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van zelfstandige kantoren;
    • 6. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1, onder b, c, d en d ten behoeve van de wijziging of aanpassing van bestaande bedrijfsactiviteiten in bedrijfsactiviteiten die niet zijn genoemd in bijlage 1 van deze regels dan wel genoemd is in één of ten hoogste twee categorieën hoger, mits de bedrijfsactiviteiten, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de volgens lid 4.1, onder respectievelijk b, c of d op die locatie toegestane bedrijfsactiviteiten;
  • b. De afwijkingen, zoals genoemd onder a, worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat hierdoor geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de milieusituatie;
    • 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.