direct naar inhoud van Artikel 3 Bedrijventerrein
Plan: Binnenhaven en De Ossenboer
Status: concept
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.BP00034-0002

Artikel 3 Bedrijventerrein

3.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Bedrijventerrein” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    • 1. niet-zelfstandige kantoorfuncties;
    • 2. bedrijfsgebonden horeca in de vorm van een kantine of bedrijfsrestaurant;
    • 3. bij deze doeleinden behorende bouwwerken, erven, terreinen en voorzieningen alsmede wegen, straten, voet- en fietspaden, water, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen en daarbij behorende bouwwerken, zoals straatmeubilair.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 4.2”, zijn bedrijven toegestaan die zijn genoemd in de categorieën 1 t/m 4.2 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen (bijlage 1);
  • c. Ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 5.1”, zijn bedrijven toegestaan die zijn genoemd in de categorieën 1 t/m 5.1 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen (bijlage 1);
  • d. Ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 5.2”, zijn bedrijven toegestaan die zijn genoemd in de categorieën 1 t/m 5.2 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen (bijlage 1).
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
  • a. Op de voor “Bedrijventerrein” aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 3.1;
  • b. Het bouwvlak mag voor minimaal 30% en maximaal 80% worden bebouwd;
  • c. De bouw van bedrijfswoningen is niet toegestaan;
  • d. Geen bebouwing mag worden opgericht binnen een afstand van 3,5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen zijdelingse perceelsgrens en binnen een afstand van 5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen achterste perceelsgrens, tenzij het oprichten van bebouwing uit het oogpunt van rampenbestrijding geen gevaar oplevert.
3.2.2 Hoofdgebouwen
  • a. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
    • 1. hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
    • 2. hoofdgebouwen, behoudens hoofdgebouwen op hoekkavels, mogen tot maximaal 5 meter achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd;
    • 3. de voorgevelrooilijn, behoudens de voorgevelrooilijn op de hoekkavels, dient voor minimaal 40% te worden bebouwd;
    • 4. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag minimaal 7 meter bedragen;
    • 5. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag maximaal 20 meter bedragen;
    • 6. hoofdgebouwen dienen plat afgedekt te worden.
3.2.3 Bijbehorende bouwwerken
  • a. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag gelijk zijn aan de maximaal toegestane bouwhoogte voor hoofdgebouwen;
    • 2. de bouwhoogte van overige bijbehorende bouwwerken mag maximaal 4,5 meter bedragen;
3.2.4 Overige bouwwerken
  • a. Voor het bouwen van niet eerder genoemde overige bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 meter bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van kunstobjecten, vlaggen- en lichtmasten mag maximaal 10 meter bedragen;
    • 3. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 5 meter bedragen.
3.2.5 Nutsvoorzieningen
  • a. Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de oppervlakte van een bouwwerk mag maximaal 25 m² bedragen;
    • 2. de goothoogte mag maximaal 3 meter bedragen.
3.2.6 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.4 en/of 3.2.5 mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

3.3 Afwijken van de bouwregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
    • 1. lid 3.2.1, onder a, voor de bouw van gebouwen ten behoeve van de vestiging van een bedrijf dan wel wijziging of aanpassing van een bestaand bedrijf in een bedrijf dat niet is genoemd in bijlage 1 van deze regels dan wel is genoemd in één of ten hoogste twee categorieën hoger, mits dat bedrijf, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de volgens lid 3.1 op die locatie toegestane bedrijven;
    • 2. lid 3.2.4, onder a sub 3, voor een bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 meter.
  • b. De in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de sociale veiligheid;
    • 5. de milieusituatie;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
3.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. Opslag op onbebouwde gronden ten dienste van bedrijven is toegestaan, mits deze niet plaatsvindt vóór een naar de openbare weg of het openbaar groen gekeerde gevel.
  • b. Geen opslag van goederen mag plaatsvinden binnen een afstand van minder dan 3,5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen zijdelingse perceelsgrens en binnen een afstand van minder dan 5 meter van een niet langs een openbare weg of openbaar groen gelegen achterste perceelsgrens, tenzij de opslag van goederen uit het oogpunt van rampenbestrijding geen gevaar oplevert.
  • c. Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:
    • 1. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
    • 2. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van horeca, anders dan vermeld in lid 3.1, onder a sub 2;
    • 3. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van zelfstandige kantoren;
    • 4. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bewoning;
    • 5. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
    • 1. lid 3.1, onder a en b, ten behoeve van de vestiging van een bedrijf dan wel wijziging of aanpassing van een bestaand bedrijf in een bedrijf dat niet is genoemd in bijlage 1 van deze regels dan wel genoemd is in één of ten hoogste twee categorieën hoger, mits dat bedrijf, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de volgens lid 3.1, onder a tot en met e, op die locatie toegestane bedrijven;
    • 2. de in dit lid genoemde omgevingsvergunningen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat hierdoor geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • de woon- en verblijfsituatie;
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de milieusituatie;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.