direct naar inhoud van 4.3 Archeologie
Plan: Buitengebied Zuidoost Lefertweg 97
Status: concept
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.20101987-0002

4.3 Archeologie

Inleiding

Het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Het Verdrag van Valetta) is in 1992 ondertekend. Het verdrag is geïmplementeerd via een wijziging van de Monumentenwet (Wet op de archeologische monumentenzorg), die op 1 september 2007 in werking is getreden.

Doelstelling is om zo veel mogelijk bodemschatten in de bodem te behouden, om zo aantasting van het bodemarchief te voorkomen. Verder wordt bevorderd dat in een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke ordening rekening wordt gehouden met archeologische waarden. Uitgangspunt is tevens dat bodemverstoorders archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen betalen.

De Wet op de archeologische monumentenzorg legt de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed bij gemeenten en bepaalt dat archeologie voortaan binnen het instrumentarium van de ruimtelijke ordening dient te worden meegewogen. De kern van de nieuwe wetgeving is als volgt:

  • het Rijk blijft verantwoordelijk voor het verlenen van vergunningen ingevolge de Monumentenwet 1988 en dus voor de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten;
  • de provincie kan archeologische attentiegebieden aanwijzen die moeten worden opgenomen in een bestemmingsplan van een gemeente en kan verplichtingen opleggen bij ontgrondingen;
  • het inbedden van archeologie in ruimtelijke plannen;
  • het behouden en beschermen van waardevolle archeologie in de bodem;
  • verplicht archeologisch onderzoek bij bodemverstoring;
  • de bodemverstoorder betaalt de kosten van archeologisch onderzoek.

De gemeente heeft ten aanzien van het omgaan met archeologie een substantiële inhoudelijke beleidsruimte om belangenafwegingen te maken. De uitvoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg draagt bij aan de kennis van het ontstaan van de stad en samen met de monumenten, landschapshistorie en bouwhistorie, aan de kwaliteit van de ruimte en de identiteit en het imago van de gemeente Enschede

Archeologiebeleid gemeente Enschede

Op 28 januari 2008 heeft de gemeenteraad van Enschede het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. Hierin is opgenomen op welke wijze binnen de gemeente Enschede invulling wordt gegeven aan de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Op basis van het beleid dient archeologie op een dusdanig vroeg tijdstip te worden betrokken bij planontwikkelingen en/of aanvragen voor bouw-, sloop- of aanlegvergunningen dat de risico's van bodemverstoringen voor de archeologie voorafgaand aan de werkzaamheden in kaart kunnen worden gebracht. Hierbij is het van belang dat inzicht bestaat in de archeologische verwachtingswaarde en de trefkans dat waardevolle archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Daarbij geldt dat de geologie, de geomorfologie en de aard van de bodem zeer bepalend zijn voor de archeologische verwachtingswaarde. Gesteld kan worden dat tot de Middeleeuwen nederzettingen meestal gelegen waren op hooggelegen gronden (stroomruggen en oeverwallen). In de Middeleeuwen en daarna heeft zich op een deel van deze gronden een esdek gevormd. In deze hoger gelegen gebieden zijn resten van nederzettingen uit diverse periodes te verwachten. Op basis van kennis over het hiervoor genoemde kan een indicatie worden gegeven over hoe groot de kans is dat ergens waardevolle archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Deze indicaties ten aanzien van gebiedsspecifieke verwachtingen zijn op een archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Enschede aangegeven. Voor gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde en waardevolle terreinen geldt een archeologische onderzoeksplicht.

In de beleidsnota is een handleiding voor het archeologisch werkproces opgenomen, met daarin te onderscheiden processtappen van inventarisatie, waardering, selectie en specifieke beheersmaatregelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20101987-0002_0006.jpg"

Afbeelding gedeelte van de archeologische verwachtingskaart

Uit de Archeologische Verwachtingskaart van de gemeente Enschede blijkt dat het plangebied "." is gelegen in een gebied met het archeologisch gebiedstype "Onderzoeksgebied A" (gebied van de te slopen schuren) en het gebiedstype önderzoeksgebied B"(gebied met de nieuwbouw).

Daar waar gesloopt wordt worden de resten verwacht van een (verdwenen) oud erf. Op dergelijke locaties worden ook boederijen uit een nog vroegere periode verwacht. Het gebied behoort op de Archeologische Beleidskaart bij bestemmingsplannen tot het archeologisch gebiedstype "Onderzoeksgebied A". Bij een bodemverstoring > 250 m2 met een diepte > 50cm is archeologisch vooronderzoek verplicht bij het slopen. Hier kan opdracht voor worden gegeven voordat gesloopt gaat worden.

Het gebied met de nieuwbouw heeft een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en behoort tot het archeologisch gebiedstype "Onderzoeksgebied B". Bij een bodemverstoring > 500m2 met een diepte > 50cm is archeologisch onderzoek verplicht.

Onder de te slopen panden van de agrarische gebouwen zit een kelder. Dit betekent dat de bodem daar al diep verstoord is. Er wordt niet dieper gegraven dan waar de fundamenten aanwezig zijn. De conclusie is dat er geen verplicht acheologisch onderzoek nodig is voor het slopen van de schuren.

De nieuw te bouwen woning aan de Lefertweg 97 heeft geen archeologisch onderzoek nodig, omdat de verstoring minder is dan de grenswaarde waarvoor een onderzoek noodzakelijk is.

Conclusie

Vanuit het oogpunt van archeologie zijn er dan ook geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.