direct naar inhoud van 4.4 Ecologie
Plan: Buitengebied Noordwest - Boekelerhofweg 75a-75b
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.20100861-0004

4.4 Ecologie

Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Momenteel genieten zowel een groot deel van de flora en fauna zelf als de leefgebieden van diverse soorten wettelijke bescherming. Die bescherming vloeit voort uit zowel Europese als nationale regelgeving. Zo richt de EG-Habitatrichtlijn zich expliciet op de bescherming van de habitat van wilde planten en dieren en beschermt de EG-Vogelrichtlijn op soortgelijke wijze broed- en trekvogels. In het kader van deze richtlijnen heeft Nederland zogenaamde speciale beschermingszones ('Natura 2000'-gebieden) aangewezen. Gebiedsbescherming, in de vorm van een beschermd natuurmonument, is verder geregeld in de Natuurbeschermingswet.

De bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van planten- en diersoorten in hun natuurlijke leefgebied is geregeld in de Flora- en faunawet. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken met een wijziging of vrijstelling. Met de inwerkingtreding van deze wet per 1 april 2002 heeft de natuurtoets een sterker accent in de totale beoordeling van omgevingsaspecten in bestemmingsplannen gekregen. Het gaat hierbij voornamelijk om de gevolgen voor de flora en fauna van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Van belang is ook de vernieuwde AMvB “Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten”, waarmee de wijzigingsmogelijkheden verruimd zijn. Er kan een tweedeling worden gemaakt in soort- en gebiedsbescherming.

4.4.1 Gebiedsbescherming

Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is een gemeente verplicht om te onderzoeken of het plangebied in of bij een speciale beschermingszone (sbz) als bedoeld in de Natuurbeschermingswet 1998 ligt. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Daarnaast wordt bekeken wat de positionering is ten opzichte van de provinciale ecologische hoofdstructuren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20100861-0004_0018.jpeg"

Uitsnede Natuurgebiedsplan 2008, provincie Overijssel

In bovenstaande uitsnede is de positionering van het plangebied ten opzichte van omliggende natuurbeheertypen aangegeven. Het plangebied zelf ligt botanisch waardevol akkerland (agrarisch natuurbeheertype/ A02.02).

De voorgenomen ontwikkeling betreft hergebruik van bestaande bebouwing en valt als dusdanig buiten het kader van het Natuurgebiedsplan. In de provinciale Omgevingsverordening (vastgesteld op 1 juli 2009 door Provinciale Staten) is opgenomen dat nieuwe bestemmingsplannen voor gebieden in de ecologische hoofdstructuur geen bestemmingen aanwijzen of regels stellen die activiteiten mogelijk maken welke significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden zullen of kunnen hebben (artikel 2.7.3 lid 2c).

4.4.2 Soortenbescherming

Sinds 1 april 2002 regelt de "Flora- en faunawet" de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren. Met de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet is een belangrijk deel van de doorwerking van de Vogel- en Habitatrichtlijn geregeld. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. De "Flora- en faunawet" heeft dan ook belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen.


Soortenbescherming en het plangebied

In verband met het voornemen tot het slopen van enkele opstallen aan de Boekelerhofweg 75 te Boekelo heeft Eelerwoude in opdracht van Landgoed Hof te Boekelo, een onderzoek in het kader van de Flora- en faunawet uitgevoerd. Het onderzoek heeft zich met name gericht op vleermuizen en (broed)vogels. Daarnaast is er ook gekeken naar overige soortgroepen om een goed beeld te krijgen van de aanwezige habitats en de daar voorkomende beschermde dier- en plantensoorten. Het onderzoek is als bijlage opgenomen bij deze toelichting.

Op basis van de onderzoeksresultaten en de beschreven ruimtelijke ontwikkelingen wordt geconcludeerd dat met uitzondering van de drie genoemde soorten, geen wezenlijk negatieve

effecten worden verwacht op beschermdesoorten. Verwacht wordt dat met het nemen van een aantal mitigerende en compenserende maatregelen (eventueel) negatieve effecten op huismus, gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis kunnen worden voorkomen.

De aanwezigheid van beschermde soorten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen en het nieuwe bestemmingsplan.