direct naar inhoud van Artikel 3 Wonen
Plan: Buitengebied Zuidoost - Lappenpad 47
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.20100817-0002

Artikel 3 Wonen

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Basisbestemming

De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, met daaraan ondergeschikt:

  • a. de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis,
  • b. mantelzorg,

met de daarbijbehorende:

  • c. bouwwerken,
  • d. erven,
  • e. terreinen en
  • f. voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
  • a. Op de voor Wonen aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 3.1.
  • b. Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 3.2.2 en 3.2.4, mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd, mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet voor bouwwerken, die zijn gebouwd in strijd met het voorheen geldende plan en niet krachtens de overgangsbepalingen van dat plan waren toegestaan.

3.2.2 Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken
  • a. Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een op de kaart aangegeven bouwvlak.
  • b. Binnen een bouwvlak mag maximaal één wooneenheid gebouwd of aanwezig zijn, tenzij door middel van een aanduiding een ander aantal aangegeven.
  • c. De inhoud van een wooneenheid mag maximaal 750 m³ bedragen. De goothoogte van een wooneenheid mag ten hoogste 6 meter en de bouwhoogte mag ten hoogste 10 meter bedragen.
  • d. Wooneenheden moeten binnen het bouwblok worden gebouwd of aanwezig zijnt.
  • e. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bouwregels:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag, bij een omvang van het bestemmingsvlak tot 250 m², maximaal 75 m² en bij een bestemmingsvlak met een omvang vanaf 250 m², niet meer dan 30 % van de omvang van het bestemmingsvlak, met een maximum van 100 m² bedragen per wooneenheid;
    • 2. de bouw van bijbehorende bouwwerken is uitsluitend toegestaan in het achtererfgebied;
    • 3. de maximale goothoogte voor bijbehorende bouwwerken bedraagt 3 meter;
    • 4. de maximale bouwhoogte bedraagt 3 meter, voorzover gelegen binnen 3 meter van een naburig erf en 6 meter in alle overige gevallen;
    • 5. bijbehorende bouwwerken mogen niet worden samengevoegd of verplaatst, indien de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken op het bouwperceel groter is dan de oppervlakte die ingevolge het bepaalde onder e, sub 2 van dit lid is toegestaan.

3.2.3 Nutsvoorzieningen

In afwijking van het bepaalde in de leden 3.2.2 en 3.2.4 gelden voor het bouwen van nutsvoorzieningen de volgende bepalingen:

  • a. de oppervlakte van een bouwwerk mag maximaal 25 m² bedragen;
  • b. de goothoogte mag maximaal 3 meter bedragen.

3.2.4 Overige, niet eerder genoemde, bouwwerken

De hoogte van overige, niet eerder genoemde, bouwwerken mag ten hoogste bedragen:

  • a. 6 meter voor palen en masten;
  • b. 2 meter voor erf- en terreinafscheidingen, voorzover achter de voorgevelrooilijn gelegen en 1 in de overige gevallen;
  • c. 2,50 meter voor alle overige bouwwerken.

3.3 Ontheffing van de bouwregels
3.3.1 Omschrijving bevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 3.2.2ten behoeve van:

  • a. het verplaatsen van wooneenheden binnen het bouwvlak.
  • b. de bouw van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak;
  • c. de bouw van bijbehorende bouwwerken in het voortuingebied;
  • d. het verplaatsen of samenvoeging van bijbehorende bouwwerken, in het geval de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken op het bestemmingsvlak groter is dan de oppervlakte die ingevolge het bepaalde in 3.2.2 is toegestaan, met dien verstande dat maximaal 50 procent van het aantal gesloopte m² aan bijbehorende bouwwerken mag;
3.3.2 Nadere voorwaarde

Bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing als bedoeld in lid 3.3.1 wordt het in bijlage 2 van deze planregels opgenomen schema toegepast.

3.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval verstaan:

  • a. voor zover het gebouwen, of delen van gebouwen betreft, die op grond van het bepaalde in lid 3.1 voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis mogen worden gebruikt, voorzover dit medegebruik betrekking heeft op een oppervlakte groter dan het gebruik van meer dan 49 procent van de som van de gebruiksvloeroppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 150 m²;
  • b. de uitoefening van een bedrijf als bedoeld in categorie 2 of hoger van de bij deze regels behorende Bedrijvenlijst (Bijlage 1).
  • c. het permanent of recratief bewonen van een bijbbehorend bijgebouw.
  • d. de exploitatie van een winkel, horecabedrijf, of seksinrichting.

3.5 Ontheffing van de gebruiksregels
3.5.1 Omschrijving bevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in:

  • a. lid 3.4, ten behoeve van de vestiging van een bedrijf dan wel wijziging of aanpassing van een bestaand bedrijf in een bedrijf dat niet is genoemd in de hoofdrubriek Bedrijven van bijlage A van deze regels, mits dat bedrijf, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de volgens lid 3.4 op die locatie toegestane bedrijven;
  • b. lid 3.4, ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf aan huis, dat is genoemd in categorie 2 van de bij deze regels behorende Bedrijvenlijst (Bijlage 1).

3.5.2 Nadere voorwaarde

Bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing als bedoeld in lid 3.5.1 wordt het in bijlage 2 van deze planregels opgenomen schema toegepast.

3.6 Wijzigingsbevoegdheid
3.6.1 Omschrijving

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen:

a door het veranderen van de vorm van een bestaand bouwvlak, met dien verstande dat bouwgrenzen met niet meer dan 20 meter mogen worden verschoven.

3.6.2 Nadere randvoorwaarden

Bij de beoordeling van een verzoek om wijziging, als bedoeld in lid 3.6.1, wordt het in bijlage 2 van deze planregels opgenomen schema toegepast.