direct naar inhoud van 5.4 Ecologie
Plan: Boddenkamp
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.20100466-0002

5.4 Ecologie

Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwet- en regelgeving. Momenteel genieten zowel een groot deel van de flora en fauna zelf als de leefgebieden van diverse soorten wettelijke bescherming. Die bescherming vloeit voort uit zowel Europese als nationale regelgeving. Zo richt de EG-Habitatrichtlijn zich expliciet op de bescherming van de habitat (leefgebied) van wilde planten en dieren en beschermt de EG-Vogelrichtlijn op soortgelijke wijze broed- en trekvogels. In het kader van deze richtlijnen heeft Nederland zogenaamde speciale beschermingszones ('Natura 2000'-gebieden) aangewezen, welke zijn geïncorporeerd in de Natuurbeschermingswet 1998. In dit kader is de volgende natuurwet- en regelgeving van belang:

  • Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming);
  • Flora- en Faunawet (soortenbescherming);
  • Nota Ruimte, in streekplannen/structuurvisies uitgewerkt voor de bescherming van de ecologische hoofdstructuur (EHS), ganzenfoerageergebied en weidevogelgebied.

De beschermingsregimes hebben tot doel de natuurwaarden in de betreffende gebieden veilig te stellen. In sommige situaties dienen ook ruimtelijke ingrepen buiten de begrenzing van deze gebieden te worden getoetst op mogelijke schadelijke uitstralende effecten, dit wordt ook wel “externe werking” genoemd.

Natuurbeschermingswet 1998

In de Natuurbeschermingswet 1998 worden twee typen beschermde gebieden onderscheiden, de speciale beschermingszones of 'Natura 2000' gebieden en de beschermde natuurmonumenten. Onder 'Natura 2000' gebieden worden verstaan de EG-Vogelrichtlijngebieden en, sinds 1 februari 2009, de EG-Habitatrichtlijngebieden. Voor de meeste EG-Habitatrichtlijngebieden geldt overigens dat deze nog wel formeel als zodanig moeten worden aangewezen door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, omdat daarvoor nog instandhoudingsdoelstellingen moeten vastgesteld. Zo lang de EG-Habitatrichtlijngebieden nog niet definitief door de minister zijn aangewezen dient nog te worden getoetst aan de communautaire lijst, zijde de lijst van gebieden zoals die indertijd zijn aangemeld bij de Europese Commissie. Onder beschermde natuurmonumenten worden die natuurgebieden verstaan die op grond van de “oude” Natuurbeschermingswet reeds als zodanig waren vastgesteld. Voor zover de beschermde natuurmonumenten overlappen met Natura 2000 gebieden geldt dat de status “beschermd natuurmonument” voor die betreffende gebieden is komen te vervallen, de beschermde waarden voor het betreffende gebied – voor zover die niet ook onder de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000 gebied vallen – blijven echter voor die gebieden onverminderd van kracht. Op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 dienen voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan te worden vastgesteld. Bestaand gebruik mag worden voortgezet, mits niet conflicterend met de instandhoudingsdoelstellingen en als zodanig vastgelegd in het beheerplan. Voor alle andere activiteiten is een vergunning van Gedeputeerde Staten (met uitzondering van die gebieden waar op grond van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 de minister van LNV bevoegd gezag is) vereist.

Nota Ruimte

In de Nota Ruimte is de visie van het Rijk op de natuur en het landelijk gebied vastgelegd. De nota richt zich op het behoud, herstel en ontwikkeling van wezenlijke natuurlijke kenmerken en waarden. Vanuit deze doelstelling is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het leven geroepen en worden ganzenfoerageergebied en weidevogelgebied aangewezen. Het rijksbeleid uit de Nota Ruimte dient door provincies en gemeenten te worden doorvertaald in ruimtelijke plannen, zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. De EHS, het ganzenfoerageergebied en het weidevogelgebied vallen niet onder de werking van de gebiedsbescherming zoals geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998.

Flora- en Faunawet

De Flora- en Faunawet regelt de bescherming van de meest kwetsbare planten- en diersoorten die in Nederland voorkomen. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om waarborgen om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren niet in gevaar komt. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Op grond van de Flora- en Faunawet zijn alle dieren en planten van onvervangbare waarde en dus dienen mensen daarmee zorgvuldig om te gaan. Daarom is in de wet ook een algemene zorgplicht (artikel 2) opgenomen, die inhoudt dat een ieder 'voldoende zorg' in acht dient te nemen voor álle in het wild voorkomende dieren en planten (dus niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Indien een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk negatieve gevolgen heeft voor in dat gebied voorkomende beschermde soorten dan dient in de regel ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen te worden gevraagd bij de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit. De ontheffingsregeling is geregeld in artikel 75 van de Flora- en Faunawet en nader uitgewerkt in de AMvB artikel 75.

De Flora- en Faunawet hanteert een driedeling in beschermingscategorieën:

  • 1. tabel 1 soorten, dit zijn de meest algemeen voorkomende soorten waarvoor bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstellingsregeling geldt. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden gevraagd;
  • 2. tabel 3 soorten, dit zijn de strikt beschermde soorten. Het gaat hierbij om de EG-Habitatrichtlijnsoorten en een (nationale) selectie van de zwaardere categorieën van de Rode Lijst. Voor deze soorten dient altijd ontheffing te worden gevraagd;
  • 3. tabel 2 soorten, een tusssencategorie bestaande uit de resterende beschermde soorten. Voor deze soorten geldt een vrijstellingsregeling wanneer wordt gehandeld volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. In andere gevallen dient voor deze soorten doorgaans ontheffing te worden gevraagd.

Vogels nemen in de Flora- en Faunawet een bijzondere positie in. Vogels worden door de wet alleen beschermd tijdens het broedseizoen. Voor een aantal vogelsoorten (met name spechten, uilen en boombewonende roofvogels) zijn de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen jaarrond beschermd.

Natuurwetgeving en het plangebied “Boddenkamp”

Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied dat is aangewezen als Natura 2000 gebied of beschermd natuurmonument of in de directe omgeving daarvan. Het plangebied “Boddenkamp” maakt geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur en is ook niet gelegen in de directe omgeving daarvan.

Ecologie en het plangebied “Boddenkamp”

Het plangebied is gelegen in het centrum van Enschede, direct aangrenzend aan de binnenstad. Het is een in hoge mate verstedelijkt gebied met weinig of geen hoogwaardig groen. Een bijzondere soortenrijkdom is hier dan ook niet te verwachten. Grote doorgaande groene structuren zijn hier niet aanwezig. Ter plaatse van de voormalige gemeentewerf aan de Boddenkampstraat is weliswaar een verhoudingsgewijs groot groengebied aanwezig maar dit is naar verwachting niet van een zodanige kwaliteit dat hier bijzondere en/of beschermde flora en fauna te verwachten is.

Ecologisch onderzoek

In het kader van de planontwikkeling voor het plangebied “Boddenkamp” is er in het voorjaar van 2010 door ecologisch adviesbureau Eelerwoude een quickscan flora- en fauna onderzoek uitgevoerd in het plangebied. Uit deze rapportage (rapportnr. 4371, d.d. 12 juli 2010) blijkt dat in het plangebied vooral algemeen voorkomende en licht beschermde soorten (met name mol, egel, konijn en vogels) aanwezig zijn. Licht beschermde soorten zijn niet ontheffingsplichtig, vogels zijn in beginsel alleen beschermd tijdens het broedseizoen. In het plangebied is geen beschermde flora aangetroffen, wel is de aanwezigheid van een aantal broedvogels (o.a. huismus, tjiftjaf, merel en pimpelmees) aangetoond waarbij van de huismus (jaarrond beschermd) ook daadwerkelijk nesten zijn aangetroffen. Verder is het plangebied ook potentieel geschikt voor de gierzwaluw (eveneens jaarrond beschermd). De in het plangebied aanwezige te slopen gebouwen zijn in potentie ook geschikt als leefgebied voor gebouwbewonende vleermuizen. Het plangebied maakt waarschijnlijk ook deel uit van het leefgebied van middelzwaar beschermde soorten als vos en steenmarter. Voor strikt beschermde zoogdieren, uitgezonderd vleermuizen, is het plangebied geen geschikt leefgebied. Binnen het plangebied is ook een ondiepe plas of poel aanwezig, welke vermoedelijk een groot deel van het jaar droog staat. De poel kan een functie hebben als voortplantingsbiotoop voor algemene amfibiesoorten als bruine kikker en gewone pad (beide licht beschermd). Strikt beschermde soorten als kamsalamander en rugstreeppad worden hier niet verwacht, het gebied rond de poel is wel potentieel geschikt voor de rugstreeppad maar die soort is de laatste 20 jaar niet meer in en rond Enschede gesignaleerd. Op basis van de resultaten van het onderzoek is het noodzakelijk nader veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuissoorten, jaarrond beschermde broedvogels (met name gierzwaluw en huismus) en steenmarter.

Het nader veldonderzoek is eveneens uitgevoerd door Eelerwoude en is uitgevoerd in de periode maart t/m september 2010. Uit de bij het nader veldonderzoek behorende rapportage (rapportnr. 4371, d.d. 5 november 2010) blijkt dat in het plangebied in een aantal te slopen gebouwen verblijfplaatsen van steenmarter, huismus, boomkruiper, bosuil en mogelijk ook gierzwaluw zijn aangetroffen. Voor deze soorten geldt dat geen ontheffing op grond van de Flora- en faunawet noodzakelijk is indien bij de uitvoering van het plan een aantal mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen en er wordt gewerkt conform een ecologisch werkprotocol. Voor een overzicht van de voor huismus, boomkruiper, bosuil en steenmarter noodzakelijk te treffen compenserende en mitigerende maatregelen wordt verwezen naar de paragrafen 3.2.2 (steenmarter) en 3.3 (huismus) van de rapportage van Eelerwoude.

De gemeente Enschede is momenteel bezig met de voorbereidingen voor het opstellen van een ecologisch werkprotocol voor het gehele grondgebied van de gemeente Enschede, dit zal naar verwachting medio 2011 in concept gereed zijn. Bijzondere aandacht wordt verder gevraagd voor de vogelsoorten boomkruiper en bosuil, waarvoor het ook wenselijk is enkele mitigerende maatregelen te nemen (zie hiervoor paragraaf 4.3 van de rapportage) en voor de mogelijke aanwezigheid van de evenals de huismus jaarrond beschermde vogelsoort gierzwaluw ter plaatse van de te renoveren voormalige ambachtsschool (zie hiervoor paragraaf 4.4 van de rapportage). Daarnaast wordt geadviseerd om in het ontwerp zoveel mogelijk van de huidige groenstructuur te handhaven om zoveel als mogelijk is te voorkomen dat op voorhand schade of verstoring wordt toegebracht aan de in het gebied aangetoonde beschermde soorten. Voor het overige zijn er geen strikt(er) beschermde soorten aangetoond in het plangebied.

Conclusie

Indien de in de paragrafen 3.2.2, 3.3 en 4.3 genoemde mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd op basis van een ecologisch werkprotocol zijn er vanuit het oogpunt van natuurwetgeving geen belemmeringen aanwezig voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Indien (een deel van) de mitigerende en/of compenserende maatregelen niet kan worden uitgevoerd is een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet noodzakelijk.