direct naar inhoud van 5.1 Milieu
Plan: Boddenkamp
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.20100466-0002

5.1 Milieu

De afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu is voor een deel verankerd in beleid, wet- en regelgeving. In de praktijk is het bestemmingsplan een belangrijk instrument voor een integrale afstemming tussen milieuaspecten en de ruimtelijke ordening en het doorvertalen van ruimtelijk relevante onderdelen van het milieubeleid.

Binnen het plangebied spelen diverse milieuaspecten een rol, onder andere vanwege de ligging aan of nabij belangrijke verkeerswegen van het plangebied en de bedrijvigheid in en rondom het plangebied.

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is de gemeente verplicht om de resultaten van het onderzoek naar de milieuaspecten te beschrijven in de plantoelichting. Hierbij moet rekening worden gehouden met de geldende wet- en regelgeving alsmede met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

In dit hoofdstuk wordt aangegeven of en zo ja, op welke wijze in dit bestemmingsplan rekening is gehouden met de verschillende milieuaspecten. Aan de orde komen bodemkwaliteit, geluidhinder, milieuhinder van bedrijvigheid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, duurzaamheid en eventuele beperkingen als gevolg van kabels, leidingen en straalpaden.

5.1.1 Bodemkwaliteit

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet onderzoek worden verricht naar de bodemkwaliteit binnen het plangebied. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd.

Bodemonderzoeken kunnen echter in verschillende gradaties plaatsvinden. Naast de uitvoering van een historisch onderzoek, kan het noodzakelijk zijn een verkennend, of –indien de onderzoeksresultaten daar aanleiding toe geven- zelfs aanvullend bodemonderzoek te laten plaatsvinden in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan.

In het plangebied zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Binnen het plangebied hebben in het verleden diverse bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Zo is op de locatie Boddenkampstraat 2 een afvalbrengpunt van de milieudienst van de gemeente Enschede gevestigd geweest en heeft aan de Kottendijk een busremise gezeten. In december 2007 heeft de gemeente Enschede Tebodin opdracht geven om de bodemkwaliteit in het gebied te actualiseren. Uit dit onderzoek blijkt dat binnen het plangebied enkele bodemverontreinigingen aanwezig zijn. In 2009 heeft de gemeente Enschede een aantal van deze verontreinigingen gesaneerd. In de huidige situatie zijn er nog een aantal verontreinigingspots aanwezig. De totale kosten voor deze saneringen worden geraamd op € 380.000,--. Wel zal ter plaatse van de voormalige busremise nog aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden ten behoeve van de lokalisering van de aanwezige bodemverontreinigingen.

Conclusie

Uit hierboven weergegeven informatie blijkt dat de locatie historisch verdacht en verontreinigd is. Gezien de aanwezigheid van bodemverontreiniging en het ontbreken van een volledig beeld van de milieuhygiënische kwaliteit, kan geconcludeerd worden dat de bodemgesteldheid in dit gebied de financiële uitvoerbaarheid van dit plan kan beïnvloeden. De sanering van de bodem wordt geraamd op ruim € 380.000,-- en de eventuele onderzoekskosten worden geraamd op circa € 10.000,--. Deze kosten komen voor rekening van de ontwikkelende partij.

5.1.2 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in verschillende wetten en regelingen. Afhankelijk van de bron en regeling gelden er voorkeursgrenswaarden, streefwaarden of maximale grenswaarden voor geluidsgevoelige functies. Om te bepalen of voldaan wordt aan de gestelde eisen is onderzoek nodig. Onderzoek is nodig naar de geluidsbelasting vanwege geluidsbronnen, indien het plangebied binnen de onderzoekszone van die bronnen is gelegen.

Het plangebied is gelegen binnen de zones van de Boddenkampsingel, Deurningerstraat, Raiffeisenstraat, Hengelosestraat en de spoorlijn Enschede-Hengelo. Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd naar de geluidsbelasting vanwege deze bronnen op het plangebied. Tevens is, ondanks dat deze niet voorzien is van een zone omdat het een 30 km-weg betreft, in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidsbelasting vanwege de nieuwe busbaan onderzocht.

Industrielawaai en luchtvaartlawaai zijn voor het plangebied niet relevant.

5.1.2.1 Wegverkeer

In artikel 74 van de Wet geluidhinder is bepaald dat zich aan weerszijden van een weg een zone bevindt. De breedte van de zone is afhankelijk van de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken. De zonering geldt niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en voor wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km per uur.

Op geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB. Een geluidsbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde is uitsluitend mogelijk, indien een hogere waarde wordt vastgesteld. Het vaststellen van een hogere waarde is pas mogelijk, indien aangetoond wordt dat maatregelen (bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en/of maatregelen bij de ontvanger) om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde niet doeltreffend zijn (bezwaren stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard), en voldaan wordt aan de voorwaarden uit de Geluidsnota Enschede 2009-2012 (verder Geluidnota). De Geluidnota is op 7 april 2009 door Burgemeester en Wethouders vastgesteld.

In stedelijk gebied is de ten hoogste vast te stellen hogere waarde voor:

  • nieuwe woningen langs een bestaande weg 63 dB;
  • nieuwe woningen langs een nieuwe weg 58 dB;
  • bestaande woningen langs een nieuwe weg 63 dB.

5.1.2.2 Railverkeer

Op grond van artikel 106b is de spoorlijn Enschede-Hengelo voorzien van een zone van 300 meter. De zone geeft het onderzoeksgebied aan. Buiten de zone is de Wet geluidhinder niet van toepassing.

De voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder bedraagt voor woningen 55 dB en voor andere geluidsgevoelige gebouwen 53 dB. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, dient een hogere waarde te worden vastgesteld. Een hogere waarde kan alleen worden vastgesteld, indien bron- of overdrachtsmaatregelen op bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard én indien wordt voldaan aan de hieraan gestelde eisen in de Geluidsnota Enschede 2009-2012 (zijnde tenminste een geluidluwe gevel en verblijfsruimte en buitenruimte bij voorkeur aan de geluidluwe zijde). De ten hoogste vast te stellen hogere waarde bedraagt voor woningen en voor andere geluidsgevoelige gebouwen 68 dB.

5.1.2.3 Akoestisch onderzoek

Naar de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de Boddenkampsingel, Hengelosestraat, Raiffeisenstraat, Hengelosestraat en de busbaan en vanwege het railverkeer op de spoorlijn Enschede-Hengelo is door de gemeente Enschede een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport “Akoestisch onderzoek, Spoorzone deelgebied Boddenkamp, Enschede” van 9 november 2010. Het rapport is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt het volgende:

  • vanwege de Boddenkampsingel wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 52 dB.
  • de 48 dB-contour vanwege de Deurningerstraat loopt over het plangebied. De 48 dB-contour blijft echter buiten het gebied waarin woningen worden gerealiseerd. Vanwege de Deurningerstraat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.
  • vanwege de Raiffeisenstraat bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 43 dB. Hiermee wordt ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde voldaan.
  • de 48 dB-contour vanwege de Hengelosestraat loopt over het plangebied. De geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 62 dB.
  • vanwege de busbaan bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 48 dB.
  • vanwege het railverkeer op de spoorlijn Enschede-Hengelo wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor woningen voldaan. De 55 dB-contour is ruimschoots buiten het plangebied gelegen. plangebied.
  • in de gebieden binnen het plangebied waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden is geen sprake van cumulatie.

5.1.2.4 Conclusies

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de Deurningerstraat, de Raiffeisenstraat, de busbaan en de spoorlijn Enschede-Hengelo akoestisch niet relevant zijn voor het plangebied. Vanwege deze bronnen wordt op het plangebied voldaan aan de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder.

Voor het plangebied is uitsluitend de geluidsbelasting vanwege de Boddenkampsingel en de Hengelosestraat relevant. Vanwege de Boddenkampsingel en de Hengelosestraat bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste respectievelijk 52 dB en 62 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden, wel wordt voldaan aan de ten hoogste vast te stellen hogere waarde van 63 dB.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het treffen van maatregelen om de geluidsbelasting vanwege de Boddenkampsingel en de Hengelosestraat te reduceren op bezwaren van verkeers- en stedenbouwkundige aard stuit.

Voor de realisatie van het plan is het noodzakelijk dat vanwege het wegverkeer op de Boddenkampsingel en de Hengelosestraat een hogere waarde wordt aangevraagd. Gelijktijdig met de procedure voor dit bestemmingsplan zal een procedure worden gestart voor het vaststellen van een hogere waarde.

5.1.3 Bedrijven en milieuzonering

Veel potentiële conflictsituaties waarbij milieuaspecten in het geding zijn, kunnen worden voorkomen door toepassing van zonering. Zonering is in zijn algemeenheid een ruimtelijk middel voor het invullen en beheren van de ruimte. Hierbij wordt een scheiding tussen verschillende, vaak conflicterende, functies aangehouden. Vanwege dit ruimtelijk structurerend karakter kan een zonering in het bestemmingsplan juridisch worden vastgelegd.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter vergroting van de leefkwaliteit. Bij integrale milieuzonering wordt bovendien rekening gehouden met cumulatieve effecten. Voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming is de VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” (2009) in de praktijk een belangrijk hulpmiddel. Deze publicatie geeft voor vele bedrijfstypen, opslagen en installaties aan welke milieuaspecten een rol kunnen spelen en biedt een handreiking ten aanzien van welke gemiddelde afstanden tot woonbebouwing vanuit een goede ruimtelijke ordening 'passend' zijn. De genoemde richtafstanden zijn slechts indicatief, waardoor maatwerk op lokaal niveau noodzakelijk is.

In verband met de voorbereiding van het bestemmingsplan "Boddenkamp" heeft een inventarisatie plaatsgevonden van bestaande en geprojecteerde bedrijvigheid in en rondom het plangebied, die van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat in en rondom het plangebied. Er is onderzoek gedaan naar de potentiële milieubelasting van deze inrichtingen (bedrijven en voorzieningen). De milieubelasting en de bijbehorende contouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. Aan de hand van dossieronderzoek is, met behulp van de gemeentelijke bedrijvenlijst, en de publicatie "Bedrijven en milieuzonering", van de aanwezige en toekomstige bedrijven en voorzieningen binnen en rondom het plangebied de milieucategorie bepaald. Tevens is een beknopte beschrijving gemaakt van de (bedrijfs)activiteiten en worden voor elk bedrijf of voorziening per milieuaspect de wenselijke afstanden tot woningen aangegeven. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat het plangebied gespecificeerd kan worden als binnenstedelijk gebied met functiemenging en derhalve niet wordt aangemerkt als een rustige woonwijk.

Aan de hand van nader onderzoek is bezien in hoeverre de indicatieve hindercontouren, die gebaseerd zijn op de potentiële milieubelasting van de bedrijven en voorzieningen, in werkelijkheid een knelpunt opleveren in relatie tot de bestemmingen. De resultaten van het onderzoek met de bijbehorende milieuzonering zijn weergegeven in bijlage 3 van de plantoelichting.

Hieronder volgen de conclusies van het onderzoek:

Bedrijven binnen het plangebied

De algemene conclusie luidt dat de bedrijven en voorzieningen in het plangebied geen milieuhinder veroorzaken die van invloed is op de wijze van bestemmen van functies op aangrenzende gronden binnen het plangebied of knelpunten opleveren voor de omgeving buiten het plangebied.

Invloed van omliggende bedrijven

Uit het onderzoek is gebleken dat de geïnventariseerde inrichtingen (bedrijven en voorzieningen) buiten het plangebied vanuit milieuhinder geen knelpunt opleveren in relatie tot de bestemmingen binnen het plangebied.

Conclusie:

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.4 Externe veiligheid

Het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid en de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Bij de toetsing zijn ondermeer de volgende documenten betrokken:

  • a. Het 'Besluit Risico's Zware Ongevallen 1999' (BRZO);
  • b. Het 'Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen' (BEVI) en de 'Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen' (REVI) voor bedrijven die gevaarlijke stoffen op-overslaan en/of be-/verwerken, gewijzigd in 2009;
  • c. De 'circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen' (cRNVGS) voor transportroutes van gevaarlijke stoffen over de weg, water en het spoor, gewijzigd en verlengd in 2008;
  • d. De 'circulaire Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen' uit 1984. Vanwege de veroudering van dit document is voorts het voorstel 'Bestuurlijke afspraken risicoafstanden aardgastransportleidingen' van 1 juli 2005 en het Programmaplan Buisleidingen van 10 januari 2006.

Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de eisen van externe veiligheid.

5.1.5 Luchtkwaliteit

In het kader van de voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan is onderzocht of de realisatie van het ruimtelijk plan, gelet op de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging, aanvaardbaar is. In deze paragraaf wordt eerst het wettelijk kader beschreven, waarna de onderzoeksresultaten en de conclusies van het onderzoek beknopt worden weergegeven.

Wettelijk kader

De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging tot doel hebben. Deze normen zijn minimumvoorschriften: lidstaten kunnen strengere normen hanteren, bijvoorbeeld ter bescherming van de gezondheid van bijzonder kwetsbare bevolkingscategorieën, zoals kinderen en ouderen. Ook Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving.

Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Aangezien titel 5.2 betrekking heeft op luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in AMvB's en ministeriële regelingen.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet Luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien:

  • geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend.

De regelgeving behorend bij de Wet Luchtkwaliteit is uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en Ministeriële Regelingen. Zo zijn inmiddels de volgende besluiten en regelingen in werking getreden:

  • het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007;
  • de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007;
  • het Besluit gevoelige bestemmingen.

Verder is in de nieuwe wetgeving het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geïntroduceerd. Het NSL bevat afspraken om op nationaal, provinciaal en plaatselijk niveau de gestelde luchtkwaliteitseisen te halen. De maatregelen hierbij zijn gericht op het halen van de grenswaarden voor PM10 uiterlijk medio 2011 en voor NO2 uiterlijk 1 januari 2015. Kenmerk van de maatregelen, die het NSL bevat, is het ervoor zorgen dat de huidige overschrijdingen worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 definitief vastgesteld.

Overwegingen

Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van maximaal 175 woningen. Uit de 'Regeling niet in betekenende mate' blijkt dat het onderhavige project kan worden aangewezen als zijnde een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.


Op grond van artikel 5 van het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen is het vereist dat ontwikkelingen waarvan het voorzienbaar is dat deze met toepassing van het besluit worden gerealiseerd binnen de NSL-periode, in samenhang worden beoordeeld. Dit onder voorwaarde dat de ontwikkelingen gebruik maken van dezelfde ontsluitingsinfrastructuur én aan elkaar grenzen danwel in elkaars directe nabijheid zijn gelegen. Het project Spoorzone is onderverdeeld in een aantal deelgebieden waar diverse ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Op dit moment is nog geen volledige duidelijkheid over welke ontwikkelingen waar plaatsvinden. Het feit dat de deelplannen gebruik maken van verschillende ontsluitingswegen, in combinatie met de lage achtergrondwaarden ter plaatse, leidt er toe dat het totale plan niet zal leiden tot overschrijdingen van de grenswaarden.


Conclusie

Het plan valt binnen de in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' genoemde kaders waardoor er uit het oogpunt van luchtkwaliteit geen belemmering ligt voor de realisatie van het plan.

5.1.6 Kabels, leidingen en straalpaden

Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de diverse functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels, leidingen en straalpaden voor telecommunicatie. Dit houdt verband met de mogelijke beperkingen aan het gebruik en/of bebouwing als gevolg van aan te houden afstanden tot gevoelige functies en maximale hoogten. Ruimtelijk relevante leidingen en straalpaden worden op de verbeelding vastgelegd en in de planregels nader geregeld. Dit betreft de hoofdtransportleidingen voor gas en brandstof, leidingen voor het vervoer van risicovolle stoffen, bovengrondse en ondergrondse hoogspanningsleidingen en straalpaden.

Binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan liggen geen kabels, leidingen of straalpaden, die een belemmering vormen voor de toegelaten functie en die door middel van een juridische regeling in het bestemmingsplan beschermd zouden moeten worden.