direct naar inhoud van Artikel 5 Woongebied
Plan: Boddenkamp
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.20100466-0002

Artikel 5 Woongebied

5.1 Bestemmingsomschrijving
  • a. De voor “Woongebied” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  • 1. wonen in de vorm van vrijstaande-, dubbele-, en meer dan twee aaneengebouwde en gestapelde woningen, tot een maximaal aantal woningen van 150;
  • 2. beroep of bedrijf aan huis;
  • 3. bij deze doeleinden behorende bouwwerken, erven, tuinen en voorzieningen, zoals woningen, bergingen, trappenhuizen, in- en uitritten, erftoegangswegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water, speelvoorzieningen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen en verkeersvoorzieningen.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding “gemengd" zijn tevens de volgende functies toegestaan:
  • 1. maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat deze functie beperkt is tot maatschappelijke voorzieningen die zijn genoemd in categorie 1 van de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Lijst van bedrijfstypen (bijlage 1);
  • 2. kantoren, met dien verstande dat deze functie beperkt is tot maximaal 350 m² bruto-vloeroppervlak per bouwperceel.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen
  • a. Op de voor “Woongebied” aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 5.1;
  • b. Binnen een afstand van 15 meter vanuit de as van de busbaan mogen geen woningen worden gebouwd;
  • c. Het bebouwd oppervlak per bouwperceel mag niet meer bedragen dan:

- 80% voor percelen met een oppervlakte tot 150 m²;

- 60% voor percelen met een oppervlakte van 150 m² tot 300 m², met een minimum

toegestane oppervlakte van 120 m²;

- 50% voor percelen met een oppervlakte van 300 m² tot 500 m², met een minimum

toegestane oppervlakte van 180 m²;

- 40% voor percelen groter dan 500 m², met een minimum toegestane oppervlakte van

250 m².

5.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden, met inachtneming van het bepaalde in lid 5.2.1 onder b, de volgende bepalingen:

  • a. hoofdgebouwen mogen binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding “maximale bouwhoogte” mag de bouwhoogte niet worden overschreden;
  • c. voor minimaal 30% van de hoofdgebouwen geldt voor de begane grond een minimale verdiepingshoogte van 3,50 meter.

5.2.3 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen, voor zover gelegen vóór de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen, voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn, mag maximaal 2 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van kunstobjecten mag maximaal 15 meter bedragen;
  • d. de bouwhoogte van bouwwerken voor bewegwijzering, beveiliging en regeling van het verkeer, vlaggen- en lichtmasten mag maximaal 10 meter bedragen;
  • e. de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag maximaal 4 meter bedragen;
  • f. de oppervlakte van speelvoorzieningen mag per bouwwerk maximaal 20 m² bedragen;
  • g. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken en andere overige bouwwerken, voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn, mag maximaal 5 meter bedragen, tenzij een andere hoogtemaat is aangeduid.

5.2.4 Nutsvoorzieningen

In afwijking van het bepaalde in de leden 5.2.2 en 5.2.3 gelden voor het bouwen van nutsvoorzieningen de volgende bepalingen:

  • a. de oppervlakte van een bouwwerk mag maximaal 25 m² bedragen;
  • b. de goothoogte mag maximaal 3 meter bedragen.

5.2.5 Bestaande bebouwing

Bestaande bebouwing, die afwijkt van het bepaalde in de leden 5.2.1, 5.2.2, 5.2.3 en/of 5.2.4mag worden gehandhaafd en/of vernieuwd.

5.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 5.2.1, voor de bouw van gebouwen ten behoeve van de vestiging van een maatschappelijke voorziening dan wel wijziging of aanpassing van een bestaande maatschappelijke voorziening in een maatschappelijke voorziening die niet is genoemd in in de hoofdgroep Maatschappelijk van bijlage 1 van deze regels dan wel is genoemd in één categorie hoger, mits die maatschappelijke voorziening, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de volgens lid 5.1 onder b1, op die locatie toegestane maatschappelijke voorzieningen;
  • b. lid 5.2.3, onder b, voor een bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen tot maximaal 3 meter;
  • c. lid 5.2.3, onder g, voor een bouwhoogte van andere overige bouwwerken tot maximaal 7 meter;

De in dit lid genoemde afwijkingen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • de woonsituatie;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

5.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. De uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis in samenhang met wonen is uitsluitend toegestaan, indien:
    • 1. het vloeroppervlak ten behoeve van de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis niet meer bedraagt dan 49% van het bebouwd oppervlak per bouwperceel;
    • 2. de bedrijfsmatige activiteiten beperkt zijn tot bedrijven die zijn genoemd in categorie 1 uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Lijst van Bedrijfstypen (bijlage 1);
    • 3. geen sprake is van verkeersaantrekkende activiteiten, die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;
    • 4. geen sprake is van detailhandel en/of horeca;
    • 5. geen onevenredige aantasting plaats vindt van de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • b. Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:
    • 1. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
    • 2. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning.
5.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 5.2.1, voor de bouw van gebouwen ten behoeve van de vestiging van een maatschappelijke voorziening dan wel wijziging of aanpassing van een bestaande maatschappelijke voorziening in een maatschappelijke voorziening die niet is genoemd in in de hoofdgroep Maatschappelijk van bijlage 1 van deze regels dan wel is genoemd in één categorie hoger, mits die maatschappelijke voorziening, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de volgens lid 5.1 onder b1, op die locatie toegestane maatschappelijke voorzieningen;
  • b. lid 5.4, onder a, ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf aan huis, dat niet is genoemd in de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Lijst van Bedrijfstypen (bijlage 1) danwel is genoemd in categorie 2 uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Lijst van Bedrijfstypen (bijlage 1), mits dat bedrijf, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met een bedrijf dat is genoemd in categorie 1;

De in dit lid genoemde afwijkingen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • de woonsituatie;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden

5.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door het toevoegen van de aanduiding “dienstverlening”, ten behoeve van de vestiging van dienstverlening, indien hierdoor geen onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • de woonsituatie;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.