direct naar inhoud van 5.1 Milieu
Plan: Spoorzone - Middengebied fase 1
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.20100465-0002

5.1 Milieu

De afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu is voor een deel verankerd in beleid, wet- en regelgeving. In de praktijk is het bestemmingsplan een belangrijk instrument voor een integrale afstemming tussen milieuaspecten en de ruimtelijke ordening en het doorvertalen van ruimtelijk relevante onderdelen van het milieubeleid.

Binnen het plangebied spelen diverse milieuaspecten een rol, onder andere vanwege de ligging aan de Molenstraat en nabij de Oldenzaalsestraat en de bedrijvigheid in en rondom het plangebied.

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is de gemeente verplicht om de resultaten van het onderzoek naar de milieuaspecten te beschrijven in de plantoelichting. Hierbij moet rekening worden gehouden met de geldende wet- en regelgeving alsmede met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

In dit hoofdstuk wordt aangegeven of en zo ja, op welke wijze in dit bestemmingsplan rekening is gehouden met de verschillende milieu-aspecten. Aan de orde komen bodemkwaliteit, geluidhinder, milieuhinder van bedrijvigheid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, duurzaamheid en eventuele beperkingen als gevolg van kabels, leidingen en straalpaden.

5.1.1 Bodemkwaliteit

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet onderzoek worden verricht naar de bodemkwaliteit binnen het plangebied. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging.

Bodemonderzoeken kunnen echter in verschillende gradaties plaatsvinden. Naast de uitvoering van een historisch onderzoek, kan het noodzakelijk zijn een verkennend, of – indien de onderzoeksresultaten daar aanleiding toe geven - zelfs aanvullend bodemonderzoek te laten plaatsvinden in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan.

In het plangebied zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. In de onderstaande tekst zijn de bodemkwaliteit en de hieraan gerelateerde kosteneffecten voor dit plangebied weergegeven.

Bodeminformatie

In het gebied zijn recentelijk (november 2009- januari 2010) een viertal bodemonderzoeken uitgevoerd door Tebodin. Uit deze onderzoeken blijkt dat binnen het plangebied diverse locaties sterk verontreinigd zijn (>interventiewaarde). Ook worden op diverse plaatsen veel bijmengingen met puin, kool en sintels waargenomen. Om een terrein geschikt te maken voor woningbouw wordt geadviseerd om deze terreinen civiel te reinigen.

Uit de informatie blijkt dat het plangebied deels historisch verdacht en verontreinigd is. Gezien de aanwezigheid van bodemverontreiniging kan geconcludeerd worden dat de bodemgesteldheid in dit gebied de financiële uitvoerbaarheid van dit plan eventueel nadelig kan beïnvloeden. De kosten van milieuhygiënische saneringen van de bodem en het civiel opschonen van de diverse locaties worden geraamd op ruim € 672.000,-- (excl. BTW) en de eventuele onderzoekskosten worden geraamd op circa € 20.000,-- (excl. BTW). Deze kosten komen voor rekening van de ontwikkelende partij.

Op basis van het bovenstaande verwachten wij echter geen dusdanige financiële belemmeringen in relatie tot de bodemgesteldheid dat de uitvoerbaarheid in gevaar komt.

De verkennende bodemonderzoeken zijn als bijlage 1 opgenomen bij deze plantoelichting.

5.1.2 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten is geregeld in verschillende wetten en regelingen. Afhankelijk van de bron en regeling gelden er voorkeursgrenswaarden, streefwaarden of maximale grenswaarden voor geluidsgevoelige functies. Om te bepalen of voldaan wordt aan de gestelde eisen is onderzoek nodig naar de geluidsbelasting vanwege geluidsbronnen, indien het plangebied binnen de onderzoekszone van die bronnen is gelegen.

Het plangebied is gelegen binnen de zones van de Deurningerstraat, Molenstraat, Oldenzaalsestraat en de spoorlijn Enschede-Gronau. Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd om de geluidsbelasting vanwege deze wegen en de spoorlijn te bepalen. Industrielawaai en luchtvaartlawaai zijn voor het plangebied niet relevant.

5.1.2.1 Wegverkeer

In artikel 74 van de Wet geluidhinder is bepaald dat zich aan weerszijden van een weg een zone bevindt. De breedte van de zone is afhankelijk van de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken. De zonering geldt niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en voor wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km per uur.

Op geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB. Een geluidsbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde is uitsluitend mogelijk, indien een hogere waarde wordt vastgesteld. Het vaststellen van een hogere waarde is pas mogelijk, indien aangetoond wordt dat maatregelen (bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en/of maatregelen bij de ontvanger) om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde niet doeltreffend zijn (bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard), en voldaan wordt aan de voorwaarden uit de Geluidsnota Enschede 2009-2012 (verder Geluidnota). De Geluidnota is op 7 april 2009 door burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede vastgesteld.

Langs bestaande wegen in stedelijk gebied is de ten hoogste vast te stellen hogere waarde:

  • voor woningen 63 dB;
  • voor onderwijsgebouwen, ziekenhuizen of verpleeghuizen 63 dB;
  • voor andere gezondheidszorggebouwen (verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medisch centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven) 53 dB.

5.1.2.2 Railverkeer

Op grond van artikel 106b van de Wet geluidhinder is de spoorlijn Enschede-Gronau voorzien van een zone van 100 meter. De zone geeft het onderzoeksgebied aan. Buiten de zone is de Wet geluidhinder niet van toepassing.

De voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder bedraagt voor woningen 55 dB en voor andere geluidsgevoelige gebouwen 53 dB. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, dient een hogere waarde te worden vastgesteld. Een hogere waarde kan alleen worden vastgesteld indien bron- of overdrachtsmaatregelen op bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard én indien wordt voldaan aan de hieraan gestelde eisen in de Geluidsnota Enschede 2009-2012 (zijnde tenminste een geluidluwe gevel en verblijfsruimte en buitenruimte bij voorkeur aan de geluidluwe zijde). De ten hoogste vast te stellen hogere waarde bedraagt voor woningen en voor andere geluidsgevoelige gebouwen 68 dB.

5.1.2.3 Akoestisch onderzoek

Naar de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de Deurningerstraat, Molenstraat en Oldenzaalsestraat en vanwege het railverkeer op de spoorlijn Enschede-Gronau is door de gemeente Enschede een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Aangezien het een globaal plan betreft en nog onduidelijkheid bestaat over de toekomstige verkeerssituatie op de Molenstraat is de worstcase situatie onderzocht. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport “Akoestisch onderzoek, Spoorzone Middengebied, gedeelte tussen Molenstraat en Nieuwe Schoolweg, Enschede” van 17 mei 2010. Het rapport is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.

Resultaten

Uit het akoestisch onderzoek blijkt het volgende:

  • De Deurningerstraat is voor het akoestisch onderzoek niet relevant omdat tussen de Deurningerstraat en het plangebied afschermende bebouwing aanwezig is en uit de verkeersmilieukaart blijkt dat de 48 dB-contour van de Deurningerstraat ruimschoots buiten het plangebied is gelegen.
  • Vanwege het verkeer op de Molenstraat wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. Eveneens wordt de ten hoogste toegestane hogere waarde van 63 dB voor woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen of verpleeghuizen en van 53 dB voor andere gezondheidszorggebouwen overschreden. De 53 dB- en 63 dB-contour zijn respectievelijk gelegen op 55 en 8 meter van de grens van het plangebied.
  • Vanwege het verkeer op de Oldenzaalsestraat wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. Voldaan wordt aan de ten hoogste toegestane hogere waarden van 53 dB of 63 dB. De 53 dB- en 63 dB-contour zijn gelegen buiten het plangebied.
  • Vanwege het railverkeer op de spoorlijn Enschede-Gronau wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor woningen en van 53 dB voor andere geluidsgevoelige bestemmingen voldaan. De 55 dB-contour is ruimschoots buiten het plangebied gelegen. De 53 dB-contour raakt het plangebied.

5.1.2.4 Conclusies

Langs de Molenstraat kunnen binnen 8 meter van de plangrens pas nieuwe woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen of verpleeghuizen gerealiseerd worden als door middel van het treffen van maatregelen de geluidsbelasting wordt teruggebracht tot ten hoogste 63 dB. Nieuwe andere gezondheidszorggebouwen kunnen pas binnen 55 meter van de plangrens worden gerealiseerd als door middel van het treffen van maatregelen de geluidsbelasting wordt teruggebracht tot ten hoogste 53 dB. Vanwege het wegverkeer op de Molenstraat wordt, voor het gedeelte van het plangebied dat is gelegen ten oosten van de Gemeentewerfstraat, een hogere waarde aangevraagd van 63 dB voor 75 woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen en van 53 dB voor andere gezondheidszorggebouwen.

Van het plangebied is de hoek Molenstraat – Nieuwe Schoolweg gelegen binnen de 48 dB-contour van de Oldenzaalsestraat. Op deze hoek worden de bestaande woningen Molenstraat 83-87 gehandhaafd. Vanaf Molenstraat 83 worden in westelijke richting over een afstand van 20 meter maximaal 12 nieuwe woningen gerealiseerd binnen de 48 dB-contour. De geluidsbelasting op deze woningen zal ten hoogste 50 dB bedragen. Langs de Nieuwe Schoolweg zullen binnen de 48 dB-contour geen nieuwe woningen gerealiseerd worden. Vanwege het wegverkeer op de Oldenzaalsestraat wordt voor maximaal 12 woningen een hogere waarde aangevraagd van 50 dB.

Vanwege het railverkeer op de spoorlijn Enschede-Gronau wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Het railverkeer wordt geen belemmering voor de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen binnen het plangebied.

Gelijktijdig met de procedure voor dit bestemmingsplan zal een procedure worden gestart voor het vaststellen van een hogere waarde.

Het akoestisch onderzoek is als bijlage 2 opgenomen bij deze plantoelichting.

5.1.3 Bedrijven en milieuzonering

Veel potentiële conflictsituaties waarbij milieuaspecten in het geding zijn, kunnen worden voorkomen door toepassing van zonering. Zonering is in zijn algemeenheid een ruimtelijk middel voor het invullen en beheren van de ruimte. Hierbij wordt een scheiding tussen verschillende, vaak conflicterende, functies aangehouden. Vanwege dit ruimtelijk structurerend karakter kan een zonering in het bestemmingsplan juridisch worden vastgelegd.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter vergroting van de leefkwaliteit. Bij integrale milieuzonering wordt bovendien rekening gehouden met cumulatieve effecten. Voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming is de VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” (2009) in de praktijk een belangrijk hulpmiddel. Deze publicatie geeft voor vele bedrijfstypen, opslagen en installaties aan welke milieuaspecten een rol kunnen spelen en biedt een handreiking ten aanzien van welke gemiddelde afstanden tot woonbebouwing vanuit een goede ruimtelijke ordening 'passend' zijn. De genoemde richtafstanden zijn slechts indicatief, waardoor maatwerk op lokaal niveau noodzakelijk is.

In verband met de voorbereiding van het bestemmingsplan "Spoorzone - Middengebied fase 1" heeft een inventarisatie plaatsgevonden van bestaande en geprojecteerde bedrijvigheid in en rondom het plangebied, die van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat in en rondom het plangebied. Er is onderzoek gedaan naar de potentiële milieubelasting van deze inrichtingen (bedrijven en voorzieningen). De milieubelasting en de bijbehorende contouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. Aan de hand van dossieronderzoek is, met behulp van de gemeentelijke bedrijvenlijst, en de publicatie "Bedrijven en milieuzonering", van de aanwezige en toekomstige bedrijven en voorzieningen binnen en rondom het plangebied de milieucategorie bepaald. Tevens is een beknopte beschrijving gemaakt van de (bedrijfs)activiteiten en worden voor elk bedrijf of voorziening per milieuaspect de wenselijke afstanden tot woningen aangegeven.

Aan de hand van nader onderzoek is bezien in hoeverre de indicatieve hindercontouren, die gebaseerd zijn op de potentiële milieubelasting van de bedrijven en voorzieningen, in werkelijkheid een knelpunt opleveren in relatie tot de bestemmingen. De resultaten van het onderzoek met de bijbehorende milieuzonering zijn weergegeven in bijlage 3 van de plantoelichting.

Hieronder volgen de conclusies van het onderzoek:

Bedrijven binnen het plangebied

De algemene conclusie luidt dat de bedrijven en voorzieningen in het plangebied geen milieuhinder veroorzaken die van invloed is op de wijze van bestemmen van functies op aangrenzende gronden binnen het plangebied of knelpunten opleveren voor de omgeving buiten het plangebied.

Invloed van omliggende bedrijven

Uit het onderzoek is gebleken dat de geïnventariseerde inrichtingen (bedrijven en voorzieningen) buiten het plangebied vanuit milieuhinder geen knelpunt opleveren in relatie tot de bestemmingen binnen het plangebied.

Conclusie:

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.4 Externe veiligheid

Het plan is getoetst aan de wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid en de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Bij de toetsing zijn ondermeer de volgende documenten betrokken:

  • a. Het 'Besluit Risico's Zware Ongevallen 1999' (BRZO);
  • b. Het 'Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen' (BEVI) en de 'Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen' (REVI) voor bedrijven die gevaarlijke stoffen op-overslaan en/of be-/verwerken, gewijzigd in 2009;
  • c. De 'circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen' (cRNVGS) voor transportroutes van gevaarlijke stoffen over de weg, water en het spoor;
  • d. De 'circulaire Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen'.

Conclusie

Ter plekke van het plangebied wordt voldaan aan de eisen van de externe veiligheid en is het plan wat betreft externe veiligheid niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Geconcludeerd kan worden dat het plan, dat voorziet in de realisering van een woonbestemming, geen belemmeringen ondervindt ten aanzien van externe veiligheid.

5.1.5 Luchtkwaliteit

In het kader van de voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan is onderzocht of de realisatie van het ruimtelijk plan, gelet op de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging, aanvaardbaar is.

5.1.5.1 Wettelijk kader

De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging tot doel hebben. Deze normen zijn minimumvoorschriften: lidstaten kunnen strengere normen hanteren, bijvoorbeeld ter bescherming van de gezondheid van bijzonder kwetsbare bevolkingscategorieën, zoals kinderen en ouderen. Ook Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving.

Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Aangezien titel 5.2 betrekking heeft op luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet Luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien:

  • geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend.

De regelgeving behorend bij de Wet Luchtkwaliteit is uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en Ministeriële Regelingen. Zo zijn inmiddels de volgende besluiten en regelingen in werking getreden:

  • het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007;
  • de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007;
  • het Besluit gevoelige bestemmingen.

Verder is in de nieuwe wetgeving het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geïntroduceerd. Het NSL bevat afspraken om op nationaal, provinciaal en plaatselijk niveau de gestelde luchtkwaliteitseisen te halen. De maatregelen hierbij zijn gericht op het halen van de grenswaarden voor PM10 uiterlijk medio 2011 en voor NO2 uiterlijk 1 januari 2015. Kenmerk van de maatregelen, die het NSL bevat, is het ervoor zorgen dat de huidige overschrijdingen worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 definitief vastgesteld.

Wet ruimtelijke ordening

In het licht van een goede ruimtelijke ordening moet voor wat betreft luchtkwaliteit veelal verder worden gekeken dan de juridische verplichtingen op basis van de Wet milieubeheer. De handreiking bij de Wet milieubeheer geeft expliciet aan dat de AMvB ‘gevoelige bestemmingen’ nadere regels betreft die verplicht nageleefd moeten worden en geen vervanging is van het principe ‘goede ruimtelijke ordening’. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zal afgewogen moeten worden of het aanvaardbaar is om een bepaald project op een bepaalde plaats te realiseren. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het project zelf niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Beoordeling luchtkwaliteit in plangebied

Het onderhavige plan voorziet, voor wat betreft het programmatisch kader met voornamelijk woningen, in de realisatie van functies die zijn aangewezen in de Ministeriële Regeling NIBM als categorie van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen. In de bijlagen bij de Regeling is de volgende formule opgenomen om, in het geval van één ontsluitingsweg, het aantal woningen en kantoren te berekenen dat nog voldoet aan de NIBM-grens van 3% (=1,2 µg/m3) : 0,0008*aantal woningen + 0,000012*bvo kantooroppervlak < 1,2 µg/m3.

In het onderhavige geval, waarbij sprake is van 175 woningen in combinatie met 2000 m2kantoorruimte, blijft de berekende bijdrage (0,16 µg/m3) ruimschoots binnen de NIBM-grens.

Naast de realisatie van woningen en kantoren voorziet het plan tevens in de realisatie van commerciële functies (o.a. horeca) en maatschappelijke voorzieningen. Dit zijn ontwikkelingen die (nog) niet zijn aangewezen in de Ministeriële Regeling NIBM. Om het effect van (kleinschalige) plannen te berekenen die niet in de Regeling zijn opgenomen, is door VROM een rekentool ontwikkeld (NIBM-tool, augustus 2009). Met de tool kan worden berekend welke verkeersaantrekkende werking nog als NIBM kan worden beschouwd. In dit geval is het plan zodanig globaal van karakter dat geen goede schatting kan worden gemaakt van het aantal voertuigbewegingen die door het plan worden gegenereerd. Wel kan worden berekend dat een verkeersgeneratie van 990 motorvoertuigen per etmaal, uitgaande van een percentage vrachtverkeer van 2% en één ontsluitingsweg, nog als NIBM geldt.

Gezien de beperkte omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mag worden aangenomen dat de realisatie van de beoogde nieuwe functies, niet zal leiden tot een overschrijding van de NIBM-grens.

Op grond van artikel 5 van het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen is het vereist dat ontwikkelingen waarvan het voorzienbaar is dat deze met toepassing van het besluit worden gerealiseerd binnen de NSL-periode, in samenhang worden beoordeeld. Dit onder voorwaarde dat de ontwikkelingen gebruik maken van dezelfde ontsluitingsinfrastructuur én aan elkaar grenzen dan wel in elkaars directe nabijheid zijn gelegen. De Spoorzone is onderverdeeld in een aantal deelgebieden waar diverse ontwikkelingen zullen plaatsvinden. Het feit dat de deelplannen gebruik maken van verschillende ontsluitingswegen, in combinatie met de lage achtergrondwaarden ter plaatse, leidt er toe dat het totale plan niet zal leiden tot overschrijdingen van de grenswaarden.

Conclusie

Op grond van het bovenstaande valt af te leiden dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit ligt er dan ook geen belemmering voor de vaststelling van het plan.

5.1.6 Kabels, leidingen en straalpaden

Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de diverse functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels, leidingen en straalpaden voor telecommunicatie. Dit houdt verband met de mogelijke beperkingen aan het gebruik en/of bebouwing als gevolg van aan te houden afstanden tot gevoelige functies en maximale hoogten. Ruimtelijk relevante leidingen en straalpaden worden op de verbeelding vastgelegd en in de planregels nader geregeld. Dit betreft de hoofdtransportleidingen voor gas en brandstof, leidingen voor het vervoer van risicovolle stoffen, bovengrondse en ondergrondse hoogspanningsleidingen en straalpaden.

Binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan liggen geen kabels, leidingen of straalpaden, die een belemmering vormen voor de toegelaten functie en die door middel van een juridische regeling in het bestemmingsplan beschermd zouden moeten worden.