direct naar inhoud van 3.3 Gemeentelijk beleid
Plan: Ribbelt Stokhorst 2011
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.20091662-0002

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Toekomstvisie Enschede 2020

Op 17 december 2007 heeft de gemeenteraad van Enschede de Toekomstvisie Enschede 2020 vastgesteld. De Toekomstvisie Enschede 2020 beoogt richting te geven aan het gemeentelijk beleid tot 2020. Dat betekent dat zij in ieder geval aan twee kenmerken moet voldoen: zij moet richting geven en zij moet inspireren. Volgens de Toekomstvisie dient er voor worden gezorgd, dat Enschede in 2020:

  • Een zeer sterke centrumpositie heeft in de Euregio met grootstedelijke allure en top culturele uitstraling;
  • Een zeer sterke werkgelegenheidsfunctie heeft in de Euregio en een goed opgeleide beroepsbevolking;
  • Groen en duurzaam onlosmakelijk verbonden heeft met het leven in Enschede;
  • Sociale stijging en binding heeft gerealiseerd voor haar bewoners;
  • Het imago heeft van Europese kennisstad.

Meer concreet geeft de Toekomstvisie jaarlijks richting aan het opstellen van de Kadernota, die weer richting geeft aan het opstellen van de programmabegroting. Ofwel: de Toekomstvisie is de top van de gemeentelijke beleidspiramide. Een top die tot 2020 behouden blijft, waarbij de basis jaarlijks wordt gewijzigd. De Kadernota 2008 is op 2 juli 2007 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze is uitgewerkt in de programmabegroting 2008-2011, die op 12 november 2007 door de gemeenteraad is vastgesteld. In beide documenten werken veel van de ambities uit de Toekomstvisie door. De debatten over de Toekomstvisie waren immers volop aan de gang ten tijde van het opstellen van de Kadernota. De drie strategische opgaven die in deze documenten zijn uitgewerkt: "Enschede werkt", "Stad Enschede" en "Ons Enschede" zijn dan ook een eerste belangrijke stap in de realisatie van de Toekomstvisie.

3.3.2 Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie Enschede 2015

De nota "Enschede biedt ruimte voor de toekomst" is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie tot 2015, met een doorkijk tot 2030. De visie biedt een kader voor duurzame ontwikkelingen op de lange termijn. Deze ruimtelijke ontwikkelingsvisie is tot stand gekomen in nauwe wisselwerking met de Toekomstvisie Enschede 2010, die het integrale programma voor de economische, fysieke en sociale structuurversterking van de stad voor de komende jaren omvat. De Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie 2015 is door de gemeenteraad van Enschede vastgesteld op 3 juli 2001. Momenteel wordt gewerkt aan een nieuwe Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie (Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie 2015-2030), die zal worden vastgesteld als structuurvisie zoals bedoeld in artikel 2.1 van de (nieuwe) Wet ruimtelijke ordening.

De Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie Enschede 2015 heeft de volgende hoofddoelstellingen:

  • het ombuigen van de scheefheid in de bevolkingssamenstelling: de ondervertegenwoordiging van hoge inkomensgroepen;
  • het versterken van de kernkwaliteiten van de stad: Enschede groene woonstad, moderne werkstad en Euregionale voorzieningenstad;
  • het waarborgen van een duurzame ontwikkeling.

Deze doelstellingen voor de lange termijn zijn nader uitgewerkt en geconcretiseerd in een aantal bouwstenen voor de ruimtelijke ontwikkelingsvisie. Voor de toekomst moet het vizier vooral worden gericht op versterking en herinrichting (herstructurering) van het bestaande stedelijke gebied. Zowel in het binnensingelgebied als in een aantal wijken daarbuiten zullen ingrijpende veranderingen plaatsvinden om Enschede als woon- en werkstad aantrekkelijk te houden. Vanuit dit perspectief moeten plannen die voor de komende tijd op het programma staan zoveel mogelijk in de bestaande stad worden gerealiseerd. Het bestaande stedelijke gebied kent globaal drie ringen of gordels: het binnensingelgebied, de voornamelijk vooroorlogse stadsdelen en de naoorlogse stadsdelen. In de toekomst zullen deze ringen door selectieve ingrepen nog meer worden aangescherpt en verrijkt.

3.3.3 Woonvisie Enschede 2005 - 2015

Het stedelijk kader voor wonen is vastgelegd in het strategisch programma wonen en is nader uitgewerkt in de Woonvisie.

Op het gebied van wonen spelen verschillende ontwikkelingen:

de gemeente Enschede wil de structuur van de stad versterken door meer hogere inkomensgroepen vast te houden en aan te trekken;

tegelijkertijd zorgen ontwikkelingen in de markt voor een druk op het realiseren van vooral goedkope woningen.

In de Woonvisie wordt een tweetal hoofddoelstellingen onderscheiden:

het leveren van een bijdrage aan het versterken van de sociaal-economische positie van Enschede;

het vergroten van de woonkwaliteit voor alle inwoners, waarbij de wensen van de consument centraal staan.

Deze doelstellingen zullen gerealiseerd worden via vijf beleidslijnen:

sturen op strategische aanpassing van de voorraad;

aandacht voor kwetsbare groepen;

werken aan woonkwaliteit voor nu en straks;

vergroten van de invloed van woonconsumenten;

samenwerken aan wonen

De Woonvisie Enschede 2005-2015 “Werken aan Wonen” is door de gemeenteraad van Enschede op 27 juni 2005 vastgesteld.

Belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijk woonvisiebeleid is de stedelijke doelstelling structuurversterking.

Ruimtelijke ontwikkelingsvisie Enschede 2015 en herrijking 2009

De nota “Enschede biedt ruimte voor de toekomst” is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie tot 2015, met een doorkijk tot 2030. De visie biedt een kader voor duurzame ontwikkelingen op lange termijn. Deze ruimtelijke ontwikkelingsvisie is tot stand gekomen in nauwe wisselwerking met de Toekomstvisie Enschede 2010, die het integrale programma voor de economische, fysieke en sociale structuurversterking van de stad voor de komende jaren omvat.

De ruimtelijke ontwikkelingsvisie heeft de volgende hoofddoelstellingen:

  • het ombuigen van de scheefheid in de bevolkingssamenstelling: de ondervertegenwoordiging van hoge inkomensgroepen;
  • het versterken van de kernkwaliteiten van de stad: Enschede groene woonstad, moderne werkstad en Euregionale voorzieningenstad;
  • het waarborgen van een duurzame ontwikkeling.

Deze doelstellingen voor de lange termijn zijn nader uitgewerkt en geconcretiseerd in een aantal bouwstenen voor de ruimtelijke ontwikkelingsvisie. Voor de toekomst moet het vizier vooral worden gericht op versterking en herinrichting (herstructurering) van het bestaande stedelijke gebied. Zowel in het binnensingelgebied als in een aantal wijken daarbuiten zullen ingrijpende veranderingen plaats vinden om Enschede als woon- en werkstad aantrekkelijk te houden. Vanuit dit perspectief moeten plannen die voor de komende tijd op het programma staan zoveel mogelijk in de bestaande stad worden gerealiseerd. Om de eenzijdigheid van de woningvoorraad te doorbreken, moet de komende jaren een breed palet van woningtypen en woonmilieus worden gerealiseerd. Deels als toevoeging aan het bestaande aanbod, deels vervanging van huurwoningen, die niet meer aan de eisen voldoen. Doel is de stad ook aantrekkelijk te maken voor mensen met midden- en hogere inkomens.

In de zomer van 2009 is de herijking van de RO-visie vastgesteld. Hierin is ook een paragraaf over wonen opgenomen. Op basis van demografisch- en woningmarktonderzoek, dat in Enschede nog veel behoefte is aan groene woonmilieus en stedelijk compacte woonmilieus. Deze vraag ligt vooral bij gezinnen met een (middel-)hoog inkomen. Het is daarom van belang dat in de nog te ontwikkelen gebieden tegemoet wordt gekomen aan de kwalitatieve eisen die deze consumenten stellen aan kwaliteit van de woning en het groen daar omheen. Het is daarbij van belang gebieden met een tastbare schaal met een bepaalde identiteit te creeren. Dit wordt in de RO visie Kwartiermaken genoemd.

De vraag in de groene woonmilieus ligt bij gezinnen met een (middel-)hoog inkomen. Het is daarom van belang dat vernieuwingsopgaven tegemoet wordt gekomen aan de kwalitatieve eisen die deze consumenten stellen aan kwaliteit van de woning en het groen daar omheen.

Mobiliteitsplan Enschede 2004-2015 en herrijking 2009

Het Mobiliteitsplan 2004-2015, vastgesteld door de gemeenteraad van Enschede op 4 oktober 2004, geeft op hoofdlijnen aan wat de gemeente nastreeft met haar mobiliteitsbeleid. In dit beleidsplan staat weergegeven welke maatregelen nodig zijn om Enschede nu en in de toekomst bereikbaar te houden. Het Mobiliteitsplan 2004-2015 is een actualisatie van het Mobiliteitsplan 1996-2005. Op basis van het vorige Mobiliteitsplan zijn vele maatregelen getroffen. Ondanks deze maatregelen is de verkeerssituatie in Enschede nog niet optimaal. Het hoofdoel van het Mobiliteitsplan 2004-2015 is het op peil houden van de bereikbaarheid van Enschede-West en Enschede-Centrum, beide als economische kerngebieden van Enschede, evenals het op peil houden van de leefbaarheid in de verblijfsgebieden, zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied.

De aanpak bestaat uit de volgende richtingen:

de ambities van de stad faciliteren

de weggebruiker vrijheid en keuze bieden

de bestaande infrastructuur en capaciteit zo goed mogelijk benutten

In het Mobiliteitsplan heeft de gemeenteraad besloten om voor de bereikbaarheid van Enschede onder andere in te zetten op het afmaken van het stelsel van HOV-assen.

3.3.4 Beleid binnenstedelijke bedrijvigheid

Binnenstedelijke bedrijvigheid valt uiteen in twee beleidsvelden te weten functiemenging (verspreide/informele locaties) en binnenstedelijke bedrijventerreinen (formele locaties). Een duidelijke kwantitatieve afbakening valt hier niet echt aan te geven maar ligt grofweg bij 1,5 ha. De in de verschillende wijken verspreide werkgelegenheid (informele locaties/functiemening) bedraagt ca. 30% van de totale Enschedese werkgelegenheid, op de formele locaties gaat het om ca. 11% van de totale werkgelegenheid.

Binnenstedelijke bedrijventerreinen

Ondanks het feit dat in Enschede steeds meer mensen werkzaam zijn in de zakelijke en publieke dienstverlening blijven ook de industrie, bouw, groothandel en logistiek belangrijke ruimtevragers. Om aan alle bedrijven ruimte te kunnen bieden moet een kwantitatief en kwalitatief gevarieerd aanbod aan bedrijfsterreinen worden ontwikkeld, waaronder op binnenstedelijke locaties. Hierbij worden de groene randen van de stad ontzien. De laatste jaren is er echter veel bedrijvigheid uit de binnenstedelijke bedrijfsterreinen verdwenen. Dit is met name een gevolg van de grote vraag naar woningbouw en voorzieningen in de stad, waardoor de bedrijfsfuncties onder druk komen te staan. Daarnaast kiezen steeds meer bedrijven voor een locatie aan de rand van de stad, omdat ze daar meer ruimte hebben of omwille van milieuredenen. In de Toekomstvisie is aangegeven dat de druk op het buitengebied zo beperkt mogelijk moet zijn, daardoor neemt de druk op de ruimte in de bestaande stad toe. Daar waar mogelijk dient de bedrijvigheid dus in de bestaande stad te worden opgevangen. Ondermeer door actief te zoeken naar nieuwe mogelijkheden voor bedrijvigheid in bestaand stedelijk gebied kan worden voorkomen dat er aan de rand van de stad extra ruimte nodig is om bedrijven te huisvesten. Dit is des te meer belangrijk omdat vrijkomende bedrijfsruimte (locaties, gebouwen) in het bestaand stedelijk gebied veelal dient als 'broedplaats' voor nieuwe startende bedrijvigheid en daarmee de structuur van de locale economie en de vitaliteit van zowel de wijk als de bestaande stad versterkt. De gemeente vindt het dan ook belangrijk dat er in het binnenstedelijk gebied voldoende ruimte blijft voor (startende) bedrijven. Om het verdwijnen van binnenstedelijke bedrijfslocaties actief te kunnen tegengaan en sturing te geven aan de ontwikkeling van nieuwe binnenstedelijke bedrijfslocaties is door de gemeenteraad van Enschede op 14 mei 2007 het Beleid Binnenstedelijke Bedrijventerreinen vastgesteld. Dit beleid komt in hoofdlijnen op het volgende neer:

  • In elke ruimtelijke afweging van functionele (her)ontwikkeling van een locatie de werkfunctie nadrukkelijk als optie mee te nemen;
  • Bij de afweging van de (her)ontwikkeling van een binnenstedelijk bedrijventerrein de werkfunctie als uitgangspunt te nemen;
  • De bestaande locatiescans in te zetten als afwegingskader, indien er van de betreffende locatie geen scan aanwezig is wordt deze alsnog opgesteld;
  • In elke ruimtelijke afweging van een locatie wordt het motto "inbreiding gaat voor uitbreiding" nadrukkelijk meegenomen;
  • De verankering van de werklocaties vindt plaats in de bestemmingsplannen.

Functiemenging

Het beleid t.a.v. functiemenging is een overkoepelend beleid (zie ook het gemeentelijk detailhandels- en kantorenbeleid) ter stimulering van de werkgelegenheid en leefbaarheid in (woon)wijken. Uitgangspunt is om – naast de reeds bestaande wettelijke mogelijkheid tot bedrijfshuisvesting in een deel van de woning (beroep of bedrijf aan huis) – kleine bedrijven te laten vestigen in daarvoor geschikte panden of een verruiming van de regels op bepaalde gebieden toe te staan. Te denken valt aan voormalige solitaire winkelpanden, grote woningen (o.a. langs de singels, invalswegen), hobbykamerwoningen etc. Hierdoor wordt het vestigingsmilieu in de stad gevarieerder en geven we de broedplaatsfunctie fysiek een kans. Het beleid sluit hiermee tevens aan bij het gemeentelijk startersbeleid.

In het kader van de functiemenging in woonwijken geldt voor de uitoefening van aan huis gebonden beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in het algemeen een vrij ruim toelatingsbeleid, waarbij niet alleen de uitoefening van vrije beroepen aan huis (tandartsen, huisartsen, fysiotherapeuten e.d.), maar ook bedrijfsmatige (dienstverlenende) activiteiten bij de woonfunctie passend worden geacht, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Voor het plangebied betekent dit dat als uitgangspunt wordt gehanteerd, dat een woning en/of het daarbij behorende bijgebouw mede mag worden gebruikt ten behoeve van een aan huis gebonden beroep of de uitoefening van een (dienstverlenend) bedrijf. Onder beroepsmatige activiteiten wordt verstaan: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en/of daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Voor de vestiging en het verrichten van deze activiteiten aan huis dienen echter regels te worden opgesteld, waaraan een bepaald voornemen kan worden getoetst. Hierbij kan worden gedacht aan de aard van het bedrijf. Er mag geen onevenredige hinder voor het woonmilieu ontstaan en evenmin mag de leefbaarheid en het karakter van de buurt worden aangetast. Uitgangspunt is dat het gebruik naar aard en omvang ondergeschikt is aan de woonfunctie. Bij het beoordelen van de planologische effecten en ruimtelijke uitstraling van aan huis gebonden beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten wordt tevens gelet op de aantallen te verwachten bezoekers, openingstijden, verkeersaantrekkende werking, parkeerdruk en de mate van concentratie van bedrijvigheid in een buurt.

Beleid binnenstedelijke bedrijvigheid in het plangebied ”Ribbelt Stokhorst 2011”

Schreurserve en 't Ribbelt hebben veel werkgelegenheid in de wijk. Deze gemengde functie willen wij respecteren. Naast de richtlijnen voor werken aan en /of bij huis in de gehele wijk is aan de radialen ruimte voor bedrijven die zich met name richten op de stedelijke of regionale markt.

Aan de Bentrotstraat ligt een binnenterrein met bedrijven die nu een te zware belasting vormen voor de wijk (verkeer, milieu etc.). Voorgestaan wordt om in de toekomst passende bedrijvigheid (tot categorie 2) te handhaven en op vrijkomende plekken passende bedrijvigheid eventueel met woningbouw te realiseren. Met het herverkavelen kan tevens de parkeerdruk in de straat worden verminderd.

Naast de bedrijvigheid aan de "Ring van Oost" (Faberstraat, Ribbelerbrinkstraat, Hoge Boekelerweg, de Brakerhorst en de Floraparkstraat) bevinden zich tevens bedrijfslocaties aan de Oosterstraat en twee binnenterreinen (Hyacinthstraat en Fuchsiastraat) achter woningen.

De bedrijfslocaties aan de Oosterstraat zijn zodanig slecht bereikbaar dat deze locaties in aanmerking komen voor functiemenging nieuwe stijl. (kleinschalige passende bedrijvigheid en woonwerkwoningen) De locaties op de binnenterreinen kunnen intensiever worden benut met passende bedrijvigheid (max. categorie 2).

Buurtwinkelcentrum t' Ribbelt

Zie onder detailhandel.

Park Stokhorst

Voor Park Stokhorst en Stokhorst geldt in zijn algemeenheid: bedrijvigheid tot categorie 2 handhaven en vrijkomende plekken invullen met passende bedrijvigheid eventueel in combinatie met woonwerkwoningen.

3.3.5 Kantorennota 2002

In oktober 2002 is door de gemeenteraad het kantorenbeleid van de gemeente Enschede vastgesteld. In de Kantorennota 2002–2010 staan randvoorwaarden voor een duidelijk en aansprekend kantorenbeleid.

Beleidsuitgangspunten kantorenbeleid

De belangrijkste uitgangspunten voor het kantorenbeleid zijn:

  • a. Het ontwikkelen van een aantrekkelijk investerings- en ontwikkelingsklimaat. Dat betekent dat de gemeente een visie heeft op de kantorenmarkt. Marktpartijen die investeren in kantoorontwikkelingen waarderen dit. Ook verwachten zij inzicht in actuele marktontwikkelingen. Uiteindelijk biedt dit hen meer zekerheid en vertrouwen in investeringen die zij plannen in Enschede. Juist in de huidige situatie is het belangrijk dat de gemeente een consistente visie uitstraalt;
  • b. Het aanbieden van de juiste hoeveelheid kantoorlocaties van de juiste kwaliteit die aansluit bij de marktvraag;
  • c. Voorkomen van versnipperde ontwikkelingen. De markt wil namelijk krachtige kantoorlocaties die een duidelijke aantrekkelijkheid en positie hebben;
  • d. De kantoorontwikkeling van Enschede in breder regionaal kader plaatsen. In de toekomst zal de netwerkstad opereren als één kantorenmarkt.

Dit beleid houdt in, dat het aanbod van kantorenlocaties qua hoeveelheid en kwaliteit goed dient aan te sluiten op de marktvraag, maar ook dat leegstand moet worden voorkomen in tijden van laagconjunctuur. Op deze manier zorgt de gemeente voor een markt waar vastgoedpartijen graag in investeren. Het nieuwe beleid beschrijft de gewenste omvang, fasering, segmentering en positionering van de verschillende kantorenlocaties in Enschede. Enschede heeft hiermee een kantorenbeleid dat gericht is op de toekomst en op een goede verhouding tussen vraag en aanbod. Vanwege dreigend overaanbod zet Enschede in op drie krachtige kantorenlocaties, te weten de directe stationsomgeving, Zuiderval e.o. en het Business & Sciencepark. De voornamelijk regionale zakelijke dienstverlening (zonder baliefunctie) bevindt zich aan de singels en betreft over het algemeen de meer representatieve locaties. De kleinschalige zakelijke dienstverlening (eigenaar/gebruikers) is vooral te vinden aan de singels en aan uitvalswegen. Kleinschalige kantoorontwikkelingen in de wijk worden zoveel mogelijk beperkt. Daar waar het wel wordt toegestaan mag de ontwikkeling niet concurrerend zijn met de formele kantorenlocaties. Daarom wordt een tweetal normen gehanteerd. Zo mogen kantoren aan singels en uitvalswegen niet groter zijn dan 350 m² bvo (of 15-20 werkzame personen) en moet er bovendien al sprake zijn van enige concentratie van kantooractiviteiten. Wanneer er geen sprake is van geconcentreerde ontwikkeling of wanneer het een ontwikkeling in de wijk betreft, geldt de norm van 150 tot 200 m² bvo per gebouw (of 5-10 werkzame personen).

Kantorenbeleid in het plangebied “Ribbelt Stokhorst 2011”

In het hele gebied is geen grootschalige kantoorontwikkeling mogelijk. ( groter dan 350 m² b.v.o. dit zijn kantoren die concurrerend kunnen zijn met de formele kantorenlocaties B&S park, directe stationsomgeving en de Zuiderval).

Er zijn wel kleinschalige ontwikkelingen in de wijk mogelijk, maximaal tussen 150 m² b.v.o. en 200 m² b.v.o. per gebouw.

Het Singelmilieu waar kantorenontwikkeling tot 350 m² b.v.o. mogelijk is bestaat uit Boddenkampsingel, Lasondersingel en de Oliemolensingel. Hier is immers al sprake van geconcentreerde kantorenontwikkeling. Op de Laaressingel kan dit dus niet. Hier geldt de norm van maximaal 50 tot 200 m² b.v.o. per gebouw (of 5-10 werkzame personen).

Oldenzaalsestraat: Hier geldt de norm van maximaal 50 tot 200 m² b.v.o. per gebouw (of 5-10 werkzame personen). Voor het gedeelte van de Oldenzaalsestraat dat in het Binnensingelgebied valt geldt de norm tot 350 m² b.v.o.

3.3.6 Ontwikkelingskader Horeca 2005 - 2015

Het Ontwikkelingskader Horeca 2005-2015 is op 11 juli 2005 vastgesteld door de gemeenteraad van Enschede. Het Ontwikkelingskader vormt het beleidskader voor een goede ruimtelijke en economische ontwikkeling van de horeca in Enschede.

Het Ontwikkelingskader:

  • beschrijft op hoofdlijnen het toekomstige horecabeleid in de gemeente Enschede en geeft aldus aan waar de gemeente zich de komende jaren op richt als het gaat om het realiseren van ambities in de horeca;
  • zorgt voor inbedding van de bestaande horeca en biedt gemeente én ondernemers een toetsingskader voor nieuwe horecaontwikkelingen en -initiatieven;
  • dient als basis voor de uitwerking van bestemmingsplannen (input voor gemeentelijke bestemmingsplannen en toetsingskader voor de provincie).

In het Ontwikkelingskader zijn de volgende nadere keuzes verwerkt:

  • de versterking van de (binnen)stad als (Eu)regionaal uitgaanscentrum door aanwijzing van gebieden waar bestaande en nieuwe marktpartijen voldoende ruimte krijgen om een (ver)nieuw(end) horeca-aanbod te introduceren;
  • de bundeling van horecabedrijvigheid in een aantal krachtige clusters, waarbij planologisch onderscheid is aangebracht tussen horecaconcentratiegebied, horeca-ontwikkelingsgebied, horecaconsolidatiegebied en sterlocaties. Concreet krijgt de horeca de komende jaren ruimte voor ontwikkeling op de volgende locaties: Oude Markt e.o., Muziekkwartier, Van Heekplein, Roombeek en Boekelo/Rutbeek e.o.;
  • de beperking van mogelijke overlast voor aanpalende overige functies;
  • de verruiming van de openingstijden in het horecaconcentratiegebied en de overige binnenstad.

Horecabeleid in het plangebied “Ribbelt Stokhorst 2011”

Horeca kan een bijdrage leveren aan de leefbaarheid en levendigheid van de dagelijkse leefomgeving. In het nieuwe horecabeleid wordt dan ook ingezet op behoud van het bestaande aanbod horecavoorzieningen in buurten en wijken. Uit oogpunt van beheersbaarheid (beperking overlast) en de keuze voor een beperkt aantal krachtige, herkenbare horeca(ontwikkel)locaties wordt een verdere uitbreiding van het aanbod in woonbuurten en -wijken niet voorgestaan.


De situatie in het plangebied Schreurserve, 't Ribbelt, Stokhorst en Park Stokhorst geeft geen aanleiding van deze algemene beleidslijn af te wijken. Met in totaal 11 horecavoorzieningen in met name de café- en fastfoodsector (snackbars, afhaalpizzeria's e.d.) is sprake van een bij de wijk passend aanbod. De aanwezige horecavoorzieningen zijn min of meer gelijkmatig over het gebied gespreid, van een echte concentratie is nergens sprake. Daar waar horeca structurele overlast veroorzaakt voor de omgeving is herlocatie, bijvoorbeeld in het winkelcentrum Stokhorst een optie.


Paracommercie

Een bekend voorbeeld van paracommercie is het organiseren van bruiloften en partijen in club- en/of verenigingsgebouwen. Deze vorm van oneerlijke concurrentie t.o.v. de reguliere horeca wil de gemeente Enschede zoveel mogelijk voorkomen danwel uitbannen. De Drank- en Horecawet biedt hiertoe de gemeenten een mogelijkheid beperkingen op te nemen in de horecavergunning aan non-profitinstellingen. De gemeente Enschede maakt standaard van deze mogelijkheid gebruik. Binnen het plangebied zijn geen vormen van paracommercie bekend.


3.3.7 Detailhandelsstructuurvisie Enschede 2003

Op 14 juni 2004 is de detailhandelsstructuurvisie Enschede 2003 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin wordt voor de toekomstige ruimtelijk-economische structuur uitgegaan van de volgende algemene uitgangspunten:

  • 1. Binnenstad behouden en versterken als (Eu)regionaal recreatief winkelcentrum;
  • 2. Eigentijdse voorzieningen voor de dagelijkse boodschappen evenwichtig verdelen op wijkniveau;
  • 3. Gericht bezochte (volumineuze) detailhandel met een bovenlokaal verzorgende functie zoveel mogelijk concentreren, met waar nodig afstemming op regionaal niveau.

In het licht van het voorliggende plan wordt het onder 2 beschreven uitgangspunt nader toegelicht.

Eigentijdse voorzieningen voor de dagelijkse boodschappen evenwichtig verdelen op wijkniveau

In de detailhandelsstructuurvisie wordt uitgegaan van een zo aantrekkelijk en compleet mogelijk aanbod voor dagelijkse boodschappen in de directe woonomgeving. De mogelijkheden hiervoor worden bepaald door het draagvlak in de wijk (aantal inwoners) en het concurrerende aanbod in de omgeving.

Aan een compleet en goed functionerend boodschappencentrum op wijkniveau kan een aantal randvoorwaarden worden gesteld:

  • twee eigentijdse full service supermarkten (> 1.000 vierkante meter vvo), die zich qua marktsegment van elkaar onderscheiden;
  • compleet aanbod speciaalzaken in de dagelijkse sector;
  • overzichtelijke opzet met minimale loopafstanden tussen winkels onderling en tussen winkels en parkeren;
  • goede bereikbaarheid en voldoende parkeergelegenheid;
  • verzorgde en eigentijdse uitstraling van het winkelgebied en de winkels.

Om aan dergelijke randvoorwaarden te kunnen voldoen, is in een stedelijk gebied als Enschede een primair verzorgingsgebied nodig van minimaal (circa) 10.000 inwoners. In de omliggende kleinere kernen kan het verzorgingsgebied iets kleiner zijn (circa 8.000) inwoners.

Op dit moment functioneert in Enschede nog een zeer groot aantal kleine incomplete buurtcentra en solitaire winkels. Deze centra hebben veelal kleine verzorgingsgebieden (< 5.000 inwoners) en functioneren nog door de geringe concurrentie (zwakke centra) in de omgeving. De keuze voor een compleet en eigentijds aanbod op wijkniveau betekent in deze visie een kwalitatieve en kwantitatieve opwaardering van een beperkt aantal wijkcentra. Dit impliceert echter gelijktijdig een versnelde sanering van kleinschalige voorzieningen op buurtniveau. In de detailhandelsstructuurvisie wordt uitgegaan van een streven naar een volwaardig dagelijks aanbod in elke wijk die daarvoor voldoende omvang heeft.

Detailhandelsbeleid in het plangebied “Ribbelt Stokhorst 2011”

Dagelijkse boodschappen

De wijken Velve-Lindenhof, Hogeland en Stokhorst/'t Ribbelt (samen ruim 21.000 inwoners) vormen samen met de nieuwbouwwijk Eschmarke en de kern Glanerbrug Enschede-Oost. Met gemiddelde binding- en toevloeiïngscijfers zou hier ruimte zijn voor één wijkwinkelcentrum met drie à vier elkaar aanvullende supermarkten.

De toekomstige winkelstructuur in dit stadsdeel wordt hoofdzakelijk bepaald door de geplande grootschalige ontwikkelingen in het Miro Centre. Op deze locatie zijn plannen om een grootschalige supermarkt te ontwikkelen. Dit zorgt in dit stadsdeel naar verwachting voor zowel een hoge binding (80%) als een hoge toevloeiing (30%). Toevloeiing is vooral te verwachten vanuit het oostelijk binnensingelgebied en vanuit Glanerbrug. Uitgangspunt voor de overige toekomstig haalbare winkelstructuur is het Miro Centre, dat in de toekomst een bovenwijkse functie vervult.

Het initiatief voor ontwikkeling van een megasupermarkt aan de Lage Bothofstraat wordt vooralsnog niet gerealiseerd. Om de detailhandelsstructuur in dit stadsdeel niet verder te verstoren is het gewenst te voorkomen dat er in de toekomst alsnog een grootschalige supermarkt kan vestigen. Het al aanwezige aanbod aan de Lage Bothofstraat heeft door de gunstige ligging aan de ontsluitingsweg een functie voor zowel de wijken in stadsdeel Oost als voor het oostelijk binnensingelgebied.

In de wijk Hogeland (6.000 inwoners) zijn nu nauwelijks winkelvoorzieningen aanwezig. Door het geringe verzorgingsgebied en het zeer sterke aanbod in de omliggende wijken is een volwaardig wijkwinkelcentrum in deze wijk niet levensvatbaar. De bestaande winkelvoorzieningen (o.a. supermarkt) kunnen mogelijk nog blijven bestaan. Voor uitbreiding van dit aanbod is echter geen distributieve ruimte. Inwoners van Hogeland richten zich (in de toekomst) voor de boodschappen voor een belangrijk deel op het Miro Centre en de Lage Bothofstraat.

In het noordoosten van Enschede liggen de wijken Stokhorst en 't Ribbelt (samen circa 9.100 inwoners). Het verzorgingsgebied is te klein voor twee volwaardige winkelcentra. Concentratie van het aanbod op één locatie is gewenst. Het uitgebreide aanbod in de omgeving (Miro Centre, Deppenbroek, Lage Bothof) zorgt voor een grote afvloeiing van koopkracht. In deze wijk is in de toekomst ruimte voor een klein wijkwinkelcentrum met een à twee eigentijdse supermarkten en enkele speciaalzaken.

In stadsdeel oost wordt op dit moment de nieuwbouwwijk Eschmarke ontwikkeld. In totaal worden hier 5.000 woningen gebouwd (± 12.000 inwoners). Door het uitgebreide aanbod in de omgeving (Miro Centre, Lage Bothof, Glanerbrug) zal relatief veel koopkracht afvloeien. In deze wijk is in de toekomst maximaal ruimte voor een goede buurtvoorziening (supermarkt en enkele aanvullende winkels).

Detailhandelsbeleid specifiek voor Stokhorst en 't Ribbelt

Winkelcentrum Stokhorst/'t Ribbelt

De winkelcentra in Stokhorst en 't Ribbelt zijn beide incompleet en verouderd. Het winkelcentrum 't Ribbelt kreeg recentelijk een facelift. Op dit moment worden plannen ontwikkeld voor herstructurering van de winkelstructuur in deze wijken. Ondanks het zeer sterke aanbod in omliggende wijken (o.a. Miro Centre) is in deze wijken ruimte voor een klein wijkwinkelcentrum, met één à twee supermarkten (totaal ± 2.000 m² vvo). Een nieuw eigentijds winkelcentrum kan voldoende omzet uit de eigen wijk binden.

De voorkeurslocatie waar het nieuwe wijkwinkelcentrum wordt gerealiseerd, is het huidige winkelcentrum Stokhorst. Dit is een centrale en goed bereikbare locatie in de wijk. Bovendien is hier voldoende fysieke ruimte aanwezig om een kwalitatief goed winkelcentrum te ontwikkelen. De locatie van winkelcentrum 't Ribbelt kan worden ingevuld met dienstverlening en overige voorzieningen (medisch, sociaal-maatschappelijk, cultureel).

Verspreide bewinkeling

Met name in 't Ribbelt bevinden zich nog enkele verspreid liggende winkels (onder andere aan de Ribbeltsweg, Faberstraat, Steenstraat). Deze winkels kunnen blijven bestaan. Uitbreiding van verspreide bewinkeling is niet mogelijk.

Invalswegen

Langs de Oldenzaalsestraat en de Laaressingel zijn enkele winkels te vinden. Dit zijn met name winkels in gericht bezochte branches (denk aan ijzerwaren, fietsen, aquariumspeciaalzaak). Deze winkels blijven gehandhaafd. Uitbreiding van winkels op deze locaties is niet mogelijk. De Oldenzaalsesestraat heeft in dit deel van het bestemmingsplan hoofdzakelijk een woonfunctie.

3.3.8 Mobiliteitsplan 2004 - 2015

Het Mobiliteitsplan 2004-2015, vastgesteld door de gemeenteraad van Enschede op 4 oktober 2004, geeft op hoofdlijnen aan wat de gemeente nastreeft met haar mobiliteitsbeleid. In dit beleidsplan staat weergegeven welke maatregelen nodig zijn om Enschede nu en in de toekomst bereikbaar te houden. Het Mobiliteitsplan 2004-2015 is een actualisatie van het Mobiliteitsplan 1996-2005. Op basis van het vorige Mobiliteitsplan zijn vele maatregelen getroffen. Onder invloed van veranderde maatschappelijke inzichten ten aanzien van mobiliteit is er sprake van enkele gewijzigde accenten in het geactualiseerde Mobiliteitsplan. Het hoofddoel van het Mobiliteitsplan 2004-2015 is het op peil houden van de bereikbaarheid van Enschede-West en Enschede-Centrum, beide als economische kerngebieden van Enschede, alsmede het op peil houden van de leefbaarheid in de verblijfsgebieden, zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied. Centraal staat dat Enschede is gelegen aan de A35. Een goede doorstroming tussen deze stroomweg enerzijds en het westelijk stadsdeel en het centrum anderzijds is van groot belang. Ook de doorstroming op de singelring moet worden geoptimaliseerd. Naast investeringen in aanpassing van de auto-infrastructuur, maatregelen voor een betere benutting van bestaande infrastructuur en parkeermaatregelen, is ook het aanbieden van vervoersalternatieven voor de auto een belangrijk punt. Dit zou gerealiseerd moeten worden door het fietsroutenetwerk te vervolmaken en uit te breiden. Ook in de kwaliteit van het openbaar vervoer moet verder worden geïnvesteerd door de doorstroomassen voor "Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV)" uit te breiden en o.a. in te zetten op betrouwbare actuele reizigersinformatie en tariefexperimenten. Bij al deze maatregelen moet het begrip “Ketenbenadering” in gedachten worden gehouden, waarmee wordt bedoeld dat de diverse vervoersmodaliteiten elkaar in een verplaatsingsketen waar mogelijk moeten kunnen aanvullen (bijvoorbeeld P&R voorzieningen). Een ander belangrijk item is de verbetering van de leefbaarheid in woonbuurten door het verlagen van de snelheid van het autoverkeer en het ontmoedigen van sluipverkeer. Hierbij mag de bereikbaarheid van bedrijven en voorzieningen in de wijken en de doorstroming op de hoofdwegenstructuur niet uit het oog worden verloren. In het mobiliteitsbeleid speelt "Duurzaam Veilig" een belangrijke rol. Volgens dit principe moet rekening worden gehouden met de feilbare weggebruiker: door een goede ruimtelijke inrichting moet verkeersveilig gedrag automatisch worden opgeroepen.

3.3.9 Groenstructuur Actieplan - GRAP

Op 27 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Enschede het Groenstructuur-actieplan (verder: GRAP) 2006-2009 vastgesteld. Uniek aan dit plan is dat het behalve een beleidsvisie ook een uitvoeringsprogramma is. Het GRAP initieert en stimuleert de uitvoering van groenprojecten in de stad Enschede. De ambitie om het groene karakter van Enschede verder te versterken blijft uitgangspunt. Het GRAP gaat, evenals het vorige plan, in op de toekomst van het openbaar groen op stedelijk niveau en de relatie van het groen met het omringende landschap. Gekeken is hierbij naar een drietal belangrijke functies die het groen in de stad kan hebben, te weten:

  • de gebruiksmogelijkheden voor bewoners en bezoekers;
  • de ecologische (verbindings)waarde;
  • de ruimtelijke kwaliteit en de structurerende betekenis.

Het behouden, versterken en ontwikkelen van deze functies is de doelstelling van het gemeentelijk groenbeleid voor de komende jaren. De functies van het groen zijn in principe gelijkwaardig, maar welke functie hierin de meeste aandacht krijgt is afhankelijk van de situatie. De gebruikswaarde van het groen speelt een steeds belangrijkere rol.

Het GRAP is gericht op aanvulling, reconstructie en vervanging van groen dat tot de hoofdstructuur van de stad behoort. Dat zijn de in het GRAP benoemde wiggen, stadsranden, lijnvormige elementen, bijzondere groengebieden en het zogenaamde 'GRAP-waardige' wijkgroen. De visie op het groen in de stad is op hoofdlijnen dezelfde gebleven. Ten opzichte van de vorige periode is er wel sprake van een verschuiving; voorheen werd met name geïnvesteerd in de singels, radialen en de stadsparken, in de komende periode wordt het accent gelegd op projecten in de wiggen, stadsranden en het groen in de wijken. De voorkeur voor nieuwe uitvoeringsprojecten in de komende periode wordt zichtbaar in de scenario's Land in de Stad en Buiten in de Buurt. In het scenario Land in de Stad wordt ingezet op visieontwikkeling en uitvoering van projecten in de wiggen, de verbetering van de beleving en het gebruik van de stadsranden en het voltooien van de bomenstructuur van ringen en radialen. In het scenario Buiten in de Buurt worden bewoners en marktpartijen uitgedaagd om samen met de gemeente te werken aan de kwaliteit van de woonomgeving. Met name de buurten met een sociaal-fysieke achterstand (de zogenaamde hotspots) verdienen een kwaliteitsimpuls. Het GRAP geeft niet alleen een samenhangend toekomstbeeld van het openbaar groen in hoofdlijnen, maar reikt tegelijk de instrumenten aan waarmee dit kan worden bereikt. In die zin is het plan richtinggevend en kaderscheppend en is tevens een toetsingskader voor plannen op het gebied van de ruimtelijke inrichting en ontwikkeling in Enschede. Het GRAP heeft tot taak de kwaliteit en identiteit van het groen in de toekomst te waarborgen en te verbeteren.

Wiggen

Enschede kent een structuur van stedelijke vingers met groene wiggen, waardoor het buitengebied tot ver in de stad door loopt. De betekenis van de wiggen voor de stad is groot:

  • de wiggen zorgen voor structuur en afwisseling;
  • de wiggen garanderen een groot raakvlak tussen stad en buitengebied. Dit heeft een positieve invloed op de kwaliteit van de leefomgeving. Door de wiggen zijn natuur en landschap toegankelijk en worden recreatiemogelijkheden dicht bij huis geboden;
  • de wiggen brengen de natuur tot ver in de stad. Ze zijn belangrijk in de natuurvoeding voor de wijken.

De doelstelling is om de wiggen te behouden en waar mogelijk te versterken of te ontwikkelen. Een invulling met kwalitatief hoogwaardige en duurzame groene bestemmingen en gebruiksmogelijkheden ten behoeve van bewegen, recreatie en spelen is hiervoor noodzakelijk. De stedelijke druk op de wiggen blijft een knelpunt. Om het landschappelijk karakter te behouden, wordt andere aanvullende bebouwing in de wiggen alleen toegestaan wanneer dit de beoogde groene invulling en de gebruiksmogelijkheden versterkt.

Stadsranden

Confrontaties tussen stad en land leveren naast beperkingen ook kansen op. Op sommige plekken moeten stadsranden beleefbaar en bruikbaar zijn. Andere plekken verdienen een helder vormgegeven grens of juist een diffuse overgang waarin de stad en het landschap met elkaar zijn verweven. Afhankelijk van de situatie kan de keuze worden gemaakt voor een bepaalde vormgeving van de rand. Onderscheidend is hierbij de overgang tussen 'binnen en buiten'. Twee uitersten zijn de harde rand (zowel visueel als functioneel een abrupte overgang) en de zachte rand (zowel visueel als functioneel een geleidelijke overgang van binnen naar buiten en vice versa). Ook de bestemming van de stad ter plaatse van de stadsrand is bepalend voor het type rand en dus voor de visie. Een stadsrandvisie voor een woonwijk verschilt bijvoorbeeld van een stadsrandvisie voor een bedrijventerrein. In het GRAP worden drie stadsranden onderscheiden: de woonrand, de werkrand en de gebruiksrand. Door gericht te investeren in de stadsrandzone wordt op tal van plekken het landschap vanuit de stad beter toegankelijk en beleefbaar.

Lijnvormige elementen

De radialen en ringen in de stad vertelen iets over de groei van de stad. Het zijn belangrijke verkeersaders, want het zijn de snelste routes om de stad binnen te gaan en te verlaten. Langs een deel van de radialen zijn de Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV)-lijnen aangelegd of in voorbereiding. Primair zijn de ringen en radialen ingericht met als doel de verkeersgebruikers optimale mogelijkheden te bieden om zich van A naar B te verplaatsen. Ecologie is hierbij van ondergeschikt belang. Identiteit is bij ringen en radialen gekoppeld aan oriëntatie. In dit verband is een logisch patroon in de totale weginrichting van belang en groen maakt deel uit van deze weginrichting. Qua groen kennen de ringen een constant patroon van laanbeplanting in de middenberm van de weg. Of dit een enkele of dubbele rij bomen moet zijn, wordt bepaald in de ontwerpopgave. De radialen daarentegen versmallen van buiten naar binnen, de ruimte voor groen wordt richting het centrum steeds beperkter. Voor de radialen geldt dat de verkeersgeleiding meer bepalend is voor de inrichting van de weg dan het historisch patroon. Behalve een functioneel profiel zijn de radialen en ringen esthetisch van goede kwaliteit, aangezien ze het visitekaartje zijn van de stad. Eenheid in beleving is hierbij van belang. Het gehele spoortracé, dat een belangrijk element is in het stadsbeeld, is voor een groot deel voorzien van begeleidende beplanting in verschillende vormen (o.a. gras, bosplantsoen en bomenrijen). Op wijkniveau worden de gebruiksmogelijkheden van de randen van het tracé, waar nodig uitgewerkt. De inrichting en beheer van de groene gebieden, grenzend aan het tracé, kunnen afgestemd worden op de ecologische kwaliteit van het tracé.

Binnen de stad is weinig oppervlaktewater aanwezig. Het Twentekanaal is daarom een onderscheidend en waardevol element. Het kanaal met de haven is een prachtige plek waar men het water beleeft. De potenties, wat betreft de gebruiksmogelijkheden, worden nog niet optimaal benut. Het gebied is bereikbaar door doorgaande wegen en wandel- en fietsroutes. De omgeving van het kanaal en de haven is ondermeer 'aangekleed' met groen. Het kanaal zelf en de oevers bieden goede mogelijkheden om de ecologische kwaliteit te verbeteren.

Bijzondere groengebieden

De parken in Enschede bepalen mede de identiteit van de stand en zijn groene rustpunten. Een aantal parken ligt geïsoleerd in het stedelijk gebied en een aantal parken is verlengstuk van een groene wig. De parken zijn bij uitstek geschikt als wandelgebied en om te genieten van een groene omgeving. De parken bieden echter meer dan alleen een groene kwaliteit en wandelmogelijkheden. Ieder park heeft een eigen identiteit met bijbehorende faciliteiten en gebruiksmogelijkheden. Er worden twee groepen parken onderscheiden: de grote parken met een functie op stedelijk niveau (met een specifiek thema) en de kleinere parken met een functie op wijkniveau, maar wel gelegen aan de stedelijke hoofdstructuur. De parken zijn specifiek ingericht om mede gebruikt te worden door de burgers van Enschede. Door het intensieve gebruik is de kwaliteit van de parken erg belangrijk. Deze kwaliteit wordt naast de gebruiksmogelijkheden bepaald door de inrichting en verzorging van het park. Enschede kent bovendien gedenkparken met bijzondere kwaliteiten, zoals de Wester- en Oosterbegraafplaats. Kenmerkend voor de gedenkparken zijn de unieke vormgeving en de grote verzameling van bijzondere en vaak oude bomen en struiken. De gedenkparken hebben een hele unieke kwaliteit, ze stralen rust en waardigheid uit in een zeer groene omgeving.

Groen in de wijken

Iedere wijk is in een verschillende periode vanuit verschillende doelstellingen ontworpen. De wijken verschillen hierdoor van sfeer en karakter. Ook de hoeveelheid en het type groen kent per wijk grote verschillen. In het centrum bestaat het groen bijvoorbeeld vooral uit bomen, terwijl in de typische jaren '70-'80-wijken met een woonerfstructuur het groen bestaat uit heestervakken, bomen en bosplantsoen. Beheer en onderhoud blijft een belangrijk aspect binnen het wijkgroen en bepaalt in grote mate de kwaliteit van de omgeving. Sommige wijken vragen om versterking van de eigen identiteit, andere wijken moeten in hun geheel omgevormd worden doordat de wijkopzet verouderd is. Weer andere wijken voldoen prima in de huidige opzet. Een visie per wijk is uitgewerkt in de Gids voor de ruimtelijke kwaliteit.

3.3.10 Notitie Bomenbehoud Enschede

De bomen in Enschede bepalen in belangrijke mate de groene kwaliteit van de stad. Om deze kwaliteit in de toekomst te blijven waarborgen en te voorkomen dat beeldbepalende, monumentale en bijzondere bomen uit het stadsbeeld verdwijnen, verdienen deze bomen extra bescherming. In de notitie “Bomenbehoud Enschede”, op 9 september 2008 door burgemeester en wethouders van Enschede vastgesteld, worden de beschermingsmaatregelen nader uitgewerkt. Alleen een kapvergunningbeleid is niet voldoende om de groene kwaliteit in de stad te blijven waarborgen. Hiervoor zijn meer instrumenten nodig. Deze extra bescherming kan zowel in de vergunningverlenende sfeer, bij de toetsing van een kapvergunningaanvraag, als in een aantal aanvullende maatregelen. Voorbeelden van aanvullende maatregelen zijn het eerder in beeld brengen van bomen in projecten, door al in de ontwerpfase van de planontwikkeling de positie van bestaande bomen te markeren en deze in het ontwerp in te passen. Een andere mogelijkheid is de aanduiding van monumentale en specifieke bijzondere/waardevolle bomen in het bestemmingsplan. Ook kunnen beschermende maatregelen worden voorgeschreven in bestekken, indien in de nabijheid van bomen moet worden gewerkt. Het handhaven en sanctioneren, een actieve controle op illegale kap en beschadiging van bomen zal op een gestructureerde wijze worden aangepakt.

Beschermenswaardige bomen

Beschermenswaardige bomen zijn bomen, waarvan het beleid is om deze duurzaam in stand te houden, beeldbepalend zijn en optimaal hun functie (kunnen) vervullen. Deze bomen zijn op een bomenlijst geplaatst en zijn onder te verdelen in verschillende subcategorieën:

  • monumentale bomen; dit zijn bomen van unieke en zeer hoge waarde, de groene parels van Enschede.
  • structuur- en bijzondere/waardevolle bomen; dit zijn bomen die de openbare ruimte duidelijk ordenen, structuur en/of identiteit geven op stedelijke niveaus.
  • functionele bomen en boomgebieden; dit zijn bomen in parken (op stedelijk en buurtniveau), begraafplaatsen, landgoederen, aan te wijzen pleinen, houtsingels om industrieterreinen, bij sport- en speelgelegenheden en enkele bijzondere locaties.

Met betrekking tot de beschermingsmaatregelen via een juridische regeling in het bestemmingsplan wordt verwezen naar paragraaf 6.3.3 in het hoofdstuk over de Juridische planopzet.

3.3.11 Evenementenbeleid

Regelmatig vinden in de binnenstad van de gemeente Enschede en daarbuiten evenementen plaats. Voorbeelden van grote, jaarlijks terugkerende evenementen zijn de Batavierenrace, de ING Enschede Marathon, de Military, de Singelloop, de introductiefeesten van de Saxion Hogeschool Enschede en de Universiteit Twente, het internationale circusfestival, de Folkloreade, diverse kermissen en het Enschede Muziekfestival. Voorbeelden van kleinschalige evenementen betreffen wijk- en buurtfeesten. Evenementen zijn belangrijk voor de gemeente Enschede, die zich presenteert als bruisende stad. Ze trekken toeristen en bezoekers aan, versterken het imago van de stad, geven impulsen aan de economie, bieden veel vrijwilligers een zinvolle bezigheid en versterken de saamhorigheid in buurten en wijken.

Het evenementenbeleid van de gemeente Enschede, en de daarmee samenhangende subsidiestroom, concentreert zich in sterke mate op gratis toegankelijke buitenevenementen, die bijdragen aan de profilering en marketing van de stad. Met het oog op de economische spin-off (combinatiebezoek winkels, horeca, parkeren), vinden grootschalige evenementen bij voorkeur plaats in de binnenstad. De aanwezige infra- en voorzieningenstructuur biedt daartoe ruime mogelijkheden. Initiatieven buiten de binnenstad zijn mogelijk, uiteraard in zoverre voldaan wordt aan de criteria van het evenementen- dan wel milieuvergunningenbeleid.

Evenementenvergunningenbeleid

Evenementen kunnen echter voor bewoners, maar ook voor ondernemers, overlast veroorzaken. Denk hierbij aan geluidsoverlast, verminderde bereikbaarheid van woningen, het tijdelijk verdwijnen van parkeerplaatsen, parkeeroverlast, wegafzettingen, en verkeersopstoppingen. In de nota "Beleid voor evenementenvergunningen" worden drie categorieën van evenementen onderscheiden (A, B en C). Kenmerkend voor evenementen categorie A is dat ze plaatsvinden in de openlucht, dat er wordt gewerkt met versterkt geluid met een gemiddeld geluidsniveau van 95 dB(A) op 20 meter van de geluidsbron en dat ze mogen voortduren tot 01.00 uur. Evenementen categorie A kunnen plaatsvinden op de Oude Markt, het Van Heekplein en het Rutbeek. Evenementen categorie B vinden eveneens plaats in de in de openlucht, bij die evenementen wordt eveneens gewerkt met versterkt geluid met een gemiddeld geluidsniveau van 95 dB(A) op 20 meter van de geluidsbron, maar, anders dan bij evenementen categorie A, mogen deze evenementen tot uiterlijk 00.00 uur voortduren. Evenementen categorie B mogen plaatsvinden op de Oude Markt, het Van Heekplein, het Stationsplein, het Plein aan de verlengde Zuiderhagen, het Molenplein/Larinksterrein, het Ei van Ko, Kruispunt de Graaff, het Diekmanterrein en het Militaryterrein. Bij categorie C-evenementen, die niet aan vaste plaatsen gebonden zijn, wordt tot 19.00 uur een maximaal gemiddeld geluidsniveau van 95 dB(A) toegestaan en na 19.00 een maximaal gemiddeld geluidsniveau van 80 dB(A), gemeten op 20 meter afstand van de geluidsbronnen. Voor evenementen categorie C geldt dat ze tot 00.00 uur mogen duren.

3.3.12 Sportnota "Enschede beweegt"

Op 28 januari 2008 heeft de gemeenteraad van Enschede de nota “Enschede beweegt” vastgesteld als kadernota voor het sportbeleid voor de periode 2008-2015. Driekwart van de Enschedese bevolking doet aan sport en tweederde beweegt voldoende! Hoewel dit vergeleken met het landelijke gemiddelde een mooie score is, is het toch noodzakelijk om enige accentverschuivingen aan te brengen in het sportbeleid. Oorzaak hiervoor ligt bij de veranderende houding van de (potentiële) sporter en de daarmee samenhangende afname van het aandeel op de sportmarkt van de sportverenigingen, de behoefte aan andersoortige sportaccommodaties en de noodzaak tot meer maatwerk bij de stimulering tot sportief bewegen. Vanuit de thema's gezondheid, sociale binding en vorming vormen de invalshoeken vraaggestuurd verleiden, grensverleggend ondernemen en krachten bundelen de basis van het sportbeleid 2008-2015. Belangrijke punten hierbij zijn:

  • De vitalisering van de sportverenigingen, zodat zij in staat blijven hun meerwaarde van ontmoeting, vorming en vrijwilligerswerk als interessante partner in de stad waar te maken. De trends in de samenleving vereisen dat een vitale sportvereniging meer op de toekomst en de omgeving is gericht en qua aanbod en organisatie zich daarop aanpast.
  • De modernisering van het gemeentelijk sportaccommodatiebestand, zodat dit multifunctioneel en levensbestendig wordt. Daarbij zal de nadruk liggen bij het toepassen van nieuwe technieken bij buitensport (op dit moment met name kunstgras) en het anders bouwen van binnensportaccommodaties (met name gymnastieklokalen). De uitgangspunten van de nota “Ruim baan voor bewegen” blijven van toepassing.
  • De verleiding tot levenslang sportief bewegen, dus van jonge kinderen tot zeer hoog bejaarden, moet niet alleen leiden tot een sluitende keten voor de jeugd van 0 tot 24 jaar, maar ook tot aandacht voor de volwassenen (in het kader van vergrijzing, zelfredzaamheid en tegengaan vereenzaming).
  • De wisselwerking tussen sport en organisaties op andere beleidsterreinen, zodat kennis en kunde wederzijds beter kunnen worden benut, met een positieve uitwerking voor alle betrokkenen.

Bovenstaande heeft geleid tot een actieplan “Sportief bewegen 2008-2015”, waarin vijftien actiepunten zijn opgenomen. De meest in het oog springend zijn de vitale sportvereniging (criteria, voorwaarden en wijze van ondersteuning), vraaggestuurd aanbod (vernieuwende arrangementen), het SportServiceTeam (een vernieuwd, uitgebreid en proactief werkend “sportloket”), het innovatieplan gemeentelijke sportaccommodaties, beweegmanagement (afstemming om te komen tot een continu aanbod van sportstimuleringsactiviteiten aan de jeugd), netwerk “sportief bewegen” (structurele basis voor samenwerking tussen partijen binnen en buiten de sport). In de gemeentelijke Sportnota wordt sport, in de brede zin van het woord, neergezet als verbindend element tussen diverse beleidsterreinen. Door deze ontwikkeling verandert ook de rol van sportaccommodaties. Multifunctionaliteit en 24-uurs gebruik komen daarbij steeds meer centraal te staan. Immers, de druk op de schaarse ruimte en middelen vereist een efficiënt en optimaal gebruik, onder andere via medegebruik en combinaties van voorzieningen. Sportaccommodaties moeten daarom niet langer alleen voldoen aan sportspecifieke eisen maar ook aan eisen voor (mede)gebruik ten behoeve van andere functies. Sport heeft zich de laatste decennia ontwikkeld tot een bloeiende bedrijfstak.

Verleiden tot sportief bewegen lukt alleen door samenwerking tussen sportverenigingen en sportorganisaties met onderwijsinstellingen, kinderopvang- en welzijnsorganisaties, zorgverleners, bedrijfsleven, wijk- en buurtcomités en dergelijke enerzijds en de beoogde deelnemers anderzijds.