direct naar inhoud van 4.4 Ecologie
Plan: Lonneker Erf, herziening 1
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.20090580-0004

4.4 Ecologie

Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwet- en regelgeving. Momenteel genieten zowel een groot deel van de flora en fauna zelf als de leefgebieden van diverse soorten wettelijke bescherming. Die bescherming vloeit voort uit zowel Europese als nationale regelgeving. Zo richt de EG-Habitatrichtlijn zich expliciet op de bescherming van de habitat (leefgebied) van wilde planten en dieren en beschermt de EG-Vogelrichtlijn op soortgelijke wijze broed- en trekvogels. In het kader van deze richtlijnen heeft Nederland zogenaamde speciale beschermingszones ('Natura 2000'-gebieden) aangewezen, welke zijn geïncorporeerd in de Natuurbeschermingswet 1998. In dit kader is de volgende natuurwet- en regelgeving van belang:

  • Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming);
  • Flora- en Faunawet (soortenbescherming);
  • Nota Ruimte, in streekplannen/structuurvisies uitgewerkt voor de bescherming van de ecologische hoofdstructuur (EHS), ganzenfoerageergebied en weidevogelgebied.

De beschermingsregimes hebben tot doel de natuurwaarden in de betreffende gebieden veilig te stellen. In sommige situaties dienen ook ruimtelijke ingrepen buiten de begrenzing van deze gebieden te worden getoetst op mogelijke schadelijke uitstralende effecten, dit wordt ook wel “externe werking” genoemd.

Natuurbeschermingswet 1998

In de Natuurbeschermingswet 1998 worden twee typen beschermde gebieden onderscheiden, de speciale beschermingszones of 'Natura 2000' gebieden en de beschermde natuurmonumenten. Onder 'Natura 2000' gebieden worden verstaan de EG-Vogelrichtlijngebieden en, sinds 1 februari 2009, de EG-Habitatrichtlijngebieden. Voor de meeste EG-Habitatrichtlijngebieden geldt overigens dat deze nog wel formeel als zodanig moeten worden aangewezen door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, omdat daarvoor nog instandhoudingsdoelstellingen moeten vastgesteld. Zo lang de EG-Habitatrichtlijngebieden nog niet definitief door de minister zijn aangewezen dient nog te worden getoetst aan de communautaire lijst, zijde de lijst van gebieden zoals die indertijd zijn aangemeld bij de Europese Commissie. Onder beschermde natuurmonumenten worden die natuurgebieden verstaan die op grond van de “oude” Natuurbeschermingswet reeds als zodanig waren vastgesteld. Voor zover de beschermde natuurmonumenten overlappen met Natura 2000 gebieden geldt dat de status “beschermd natuurmonument” voor die betreffende gebieden is komen te vervallen, de beschermde waarden voor het betreffende gebied – voor zover die niet ook onder de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000 gebied vallen – blijven echter voor die gebieden onverminderd van kracht. Op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 dienen voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan te worden vastgesteld. Bestaand gebruik mag worden voortgezet, mits niet conflicterend met de instandhoudingsdoelstellingen en als zodanig vastgelegd in het beheerplan. Voor alle andere activiteiten is een vergunning van Gedeputeerde Staten (met uitzondering van die gebieden waar op grond van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 de minister van LNV bevoegd gezag is) vereist.

Nota Ruimte

In de Nota Ruimte is de visie van het Rijk op de natuur en het landelijk gebied vastgelegd. De nota richt zich op het behoud, herstel en ontwikkeling van wezenlijke natuurlijke kenmerken en waarden. Vanuit deze doelstelling is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het leven geroepen en worden ganzenfoerageergebied en weidevogelgebied aangewezen. Het rijksbeleid uit de Nota Ruimte dient door provincies en gemeenten te worden doorvertaald in ruimtelijke plannen, zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. De EHS, het ganzenfoerageergebied en het weidevogelgebied vallen niet onder de werking van de gebiedsbescherming zoals geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998.

Flora- en Faunawet

De Flora- en Faunawet regelt de bescherming van de meest kwetsbare planten- en diersoorten die in Nederland voorkomen. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om waarborgen om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren niet in gevaar komt. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Op grond van de Flora- en Faunawet zijn alle dieren en planten van onvervangbare waarde en dus dienen mensen daarmee zorgvuldig om te gaan. Daarom is in de wet ook een algemene zorgplicht (artikel 2) opgenomen, die inhoudt dat een ieder 'voldoende zorg' in acht dient te nemen voor álle in het wild voorkomende dieren en planten (dus niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Indien een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk negatieve gevolgen heeft voor in dat gebied voorkomende beschermde soorten dan dient in de regel ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen te worden gevraagd bij de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit. De ontheffingsregeling is geregeld in artikel 75 van de Flora- en Faunawet en nader uitgewerkt in de AmvB artikel 75.

De Flora- en Faunawet hanteert een driedeling in beschermingscategorieën:

  • 1. tabel 1 soorten, dit zijn de meest algemeen voorkomende soorten waarvoor bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstellingsregeling geldt. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden gevraagd;
  • 2. tabel 3 soorten, dit zijn de strikt beschermde soorten. Het gaat hierbij om de EG-Habitatrichtlijnsoorten en een (nationale) selectie van de zwaardere categorieën van de Rode Lijst. Voor deze soorten dient altijd ontheffing te worden gevraagd;
  • 3. tabel 2 soorten, een tusssencategorie bestaande uit de resterende beschermde soorten. Voor deze soorten geldt een vrijstellingsregeling wanneer wordt gehandeld volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. In andere gevallen dient voor deze soorten doorgaans ontheffing te worden gevraagd.

Vogels nemen in de Flora- en Faunawet een bijzondere positie in. Vogels worden door de wet alleen beschermd tijdens het broedseizoen. Voor een aantal vogelsoorten (met name spechten, uilen en boombewonende roofvogels) zijn de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen jaarrond beschermd.

Aan het verlenen van ontheffing door de minister zijn, afhankelijk van de status van de soort, verschillende voorwaarden verbonden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in een lichte toets en een uitgebreide toets. De lichte toets geldt voor tabel 1- en tabel 2 soorten en voor de meeste vogels en houdt in dat de werkzaamheden het voorbestaan van de soort niet in gevaar mogen brengen oftewel geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. De uitgebreide toets geldt voor tabel 3 soorten en de jaarrond beschermde vogelsoorten en houdt in dat:

  • de werkzaamheden het voortbestaan van de soort niet in gevaar mogen brengen oftewel geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de soort en;
  • er geen alternatief is voor de activiteiten en;
  • er sprake is van groot maatschappelijk belang (zoals volksgezondheid, openbare veiligheid, etc…) en;
  • de werkzaamheden zodanig worden uitgevoerd dat er sprake is van zorgvuldig handelen.

Natuurwetgeving en het plangebied “Lonneker erf”

Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied dat is aangewezen als Natura 2000 gebied of beschermd natuurmonument of in de directe omgeving daarvan. Het plangebied “Lonneker erf” maakt geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur en is ook niet gelegen in de directe omgeving daarvan.

Quickscan

In het kader van de planontwikkeling voor het plangebied “Lonneker erf” is er in juni 2010 door ecologisch adviesbureau Econsultancy een quickscan flora- en fauna onderzoek uitgevoerd in het plangebied. Uit deze rapportage (rapportnr. 10065711, d.d. 30 juni 2010, zie bijlage) blijkt dat in het plangebied algemeen voorkomende broedvogels nestgelegenheid vinden. Daarnaast broedt er een zwarte roodstaart (jaarrond beschermd) op een balk boven de garagedeur.

Er is in de directe omgeving voldoende alternatieve broedgelegenheid voor deze soort. Jaarronde bescherming van het betreffende nest is in dit geval dan ook niet van toepassing.

De te slopen woningen aan de Wegmanstraat 32-34 zijn geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen vanwege de aanwezigheid van toegankelijke ruimtes onder dakpannen en achter betimmeringen. Er is derhalve niet op voorhand uit te sluiten dat zich in de bebouwing een vaste rust- of verblijfplaats van gewone dwergvleermuizen of laagvlieger bevindt.

De kas is ongeschikt voor vleermuizen en kan ook zonder probleem worden gesloopt.

De zolderruimte boven de kleine schuur is nauwkeurig geïnspecteerd op het voorkomen van (grootoor)vleermuizen of sporen daarvan. Er zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, in de schuur aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie geen geschikt habitat of zijn deze op grond van bekende verspreidingsgegevens of het ontbreken van verblijfsindicaties niet te verwachten.

Op basis van de resultaten van het onderzoek is het noodzakelijk nader veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuissoorten en jaarrond beschermde broedvogels.

Aanvullend onderzoek

Het nader veldonderzoek is eveneens uitgevoerd door Econsultancy en is uitgevoerd in de periode juli t/m augustus 2010. Uit de bij het nader veldonderzoek behorende aanvullende rapportage (rapportnr. 10065786, d.d. 22 oktober 2010, zie bijlage) blijkt dat in de te slopen woning in het plangebied een verblijfplaats van een gewone dwergvleermuis bevindt. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn ook verblijfplaatsen van enkele gewone dwergvleermuizen en een laagvlieger aangetroffen. Gelet op het kleine aantal vleermuizen is er geen sprake van een kraamverblijf. Kraamverblijven worden enkel aangetroffen indien er sprake is van een kolonie van meerdere dieren.

In de baltsperiode zijn 1 tot 2 gewone dwergvleermuizen baltsend langs de gevel van de te slopen woning waargenomen, waardoor er sprake is van een paarverblijf. Daarnaast kan worden aangenomen dat een paarverblijf ook in gebruik kan zijn als winterverblijf.

Toetsing aan wet- en regelgeving

Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten genieten zowel binnen de Flora- en faunawet als binnen de Natuurbeschermingswet een strikte bescherming. Alle vleermuissoorten staan vermeld in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: "het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort". Dit houdt in dat niet alleen de zomer- en winterverblijfplaatsen maar ook de verbindingen hiertussen (vliegroutes) en de foerageergebieden bescherming genieten.

Vleermuizen zijn streng beschermd omdat dat ze erg kwetsbaar zijn. De afgelopen vijftig jaar zijn sommige soorten erg zeldzaam geworden of geheel verdwenen. Wanneer overwinterende dieren worden verstoord, is de kans groot dat ze sterven omdat ze dan teveel van hun vetreserve gebruiken.

Maar al te vaak worden bomen gekapt en oude gebouwen gerenoveerd of gesloopt. Als zich hierin een vleermuiskolonie bevindt, heeft dat grote gevolgen voor de vleermuisstand in de wijde omgeving. Omdat ze meestal maar één jong per jaar krijgen, kan herstel erg lang duren. Vleermuizen kunnen zelf geen verblijfplaatsen maken en zijn dus afhankelijk van bestaande verblijfplaatsen.

Broedvogels

Tijdens de quickscan is op een balk boven de garageduur een nest met jongen van zwarte roodstaart waargenomen. Nestlocaties van zwarte roodstaart zijn in uitzonderlijke gevallen ook buiten het broedseizoen beschermd. Geadviseerd wordt om voor zwarte roodstaart tijdens de winterperiode een speciale nestkast op te hangen in de te handhaven eiken of naastgelegen bebouwing. De nestkast is speciaal voor half-holenbroeders. Verder wordt aanbevolen om de huidige broedlocatie vóór maart ongeschikt te maken, bijvoorbeeld door het afschermen van de balk boven de garagedeur waar de soort broedt. In april keert zwarte roodstaart terug uit het winterverblijf in Afrika. Deze maatregelen voor zwarte roodstaart zijn van belang omdat de maatregelen ten behoeve van vleermuizen uitgevoerd worden in april en een eventueel broedgeval van zwarte roodstaart daardoor geen vertraging van de plannen oplevert. Voor de te verwijderen beplanting in de tuin geldt dat deze het beste vóór maart kan worden verwijderd, voorafgaand aan het broedseizoen.

Vleermuizen

Door de sloop van de bebouwing gaat er, als er geen aanvullende maatregelen worden getroffen, een verblijfplaats van één tot twee gewone dwergvleermuizen verloren. Om overtreding van de Flora- en faunawet te voorkomen zal de functionaliteit van het gebied voor de soort behouden moeten blijven. Daarnaast is het van belang dat er zodanig wordt gewerkt dat schade aan de soort wordt voorkomen.

Indien er mitigerende maatregelen worden uitgevoerd, worden overtredingen voorkomen. Er bestaat de mogelijkheid om de maatregelen goed te laten keuren door middel van het indienen van een ontheffingsaanvraag bij het ministerie van LNV. Gelet op de kleinschaligheid van de ingreep, het kleine aantal vleermuizen en de aanwezigheid van tijdelijke verblijfsalternatieven in de omgeving, is het aanvragen van een ontheffing, waarbij de maatregelen worden goedgekeurd, niet noodzakelijk.

De initiatiefnemer voor de ontwikkeling waarvoor het onderhavige bestemmingsplan is opgesteld, dient een ecologisch werkprotocol op te laten stellen dat bij de uitvoering van de werkzaamheden nageleefd dient te worden. In dit werkprotocol moet worden opgenomen welke van de in de in de aanvullende rapportage genoemde mitigerende maatregelen ten aanzien van de vleermuizen en broedvogels in het plangebied genomen worden en op welke wijze deze maatregelen zullen worden uitgevoerd.

Conclusie

Indien de in het ecologisch onderzoek genoemde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd op basis van een ecologisch werkprotocol, zijn er vanuit het oogpunt van natuurwetgeving geen belemmeringen aanwezig voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Indien (een deel van) de mitigerende en/of compenserende maatregelen niet kan worden uitgevoerd is een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet noodzakelijk.

In de planregels is het uitvoeren van mitigerende en/of compenserende maatregelen, zoals genoemd in de aanvullende rapportage, als voorwaarde gekoppeld aan de mogelijkheid tot het slopen van de bestaande bebouwing. De aanvullende rapportage, met daarin opgenomen de te nemen mitigerende maatregelen, is bijgevoegd als bijlage bij deze Toelichting.