direct naar inhoud van 5.3 Ecologie
Plan: Usseler Es 2008
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.20070132-0001

5.3 Ecologie

Momenteel genieten zowel een groot deel van de flora en fauna zelf als de leefgebieden van diverse soorten wettelijke bescherming. Die bescherming vloeit voort uit zowel Europese als nationale regelgeving. Zo richt de EG-habitatrichtlijn zich expliciet op de bescherming van de habitat van wilde planten en dieren en beschermt de EG-vogelrichtlijn op soortgelijke wijze broed- en trekvogels. In het kader van deze richtlijnen heeft Nederland zogenaamde speciale beschermingszones ('Natura 2000'-gebieden) aangewezen. Gebiedsbescherming, in de vorm van een beschermd natuurmonument, is verder geregeld in de Natuurbeschermingswet (de op 1 oktober 2005 vastgestelde gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998).

De bescherming van inheemse en uitheemse planten- en diersoorten is geregeld in de Flora- en faunawet (Wet van 25 mei 1998, Stb. 402). Met de inwerkingtreding van deze wet per 1 april 2002 heeft de natuurtoets een sterker accent in de totale beoordeling van milieuaspecten in bestemmingsplannen gekregen. Het gaat hierbij voornamelijk om de gevolgen voor de flora en fauna van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Van belang is ook de vernieuwde AMvB “Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten” (gewijzigd van kracht d.d. 8 februari 2005), waarmee de ontheffingsmogelijkheden verruimd zijn.

In verband met de Flora- en faunawet zijn er vier ecologische rapporten opgesteld, te weten:

  • 1. "Flora- en faunaonderzoek Usseler Es, gemeente Enschede" (Bureau Eelerwoude 9 december 2004);
  • 2. "Ecoscan bedrijventerrein Usseler es - noord (Royal Haskoning 26 februari 2008).
  • 3. "Ecologisch werkprotocol bedrijventerrein Usseler es - noord (Royal Haskoning 3 april 2008).
  • 4. "Uitwerking flora- en faunavoorzieningen bedrijventerrein Usseler es - noord te Enschede (Royal Haskoning 18 april 2008).

In verband met het project Usseler Es wordt in september / oktober 2008 een ontheffingsverzoek opgesteld door het bureau Eelerwoude te Goor. Voordat het bestemmingsplan als ontwerp-bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd, moet de ontheffing zijn verleend of moet het duidelijk zijn of de ontheffing al dan niet zal worden verleend.

5.3.1 Gebiedsbescherming

Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is een gemeente verplicht om te onderzoeken of het plangebied in of bij een speciale beschermingszone (sbz) als bedoeld in de Natuurbeschermingswet 1998 ligt. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.

Huidige toestand en autonome ontwikkeling

In de huidige situatie maken het plangebied en de omgeving geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofd Structuur (EHS). Wel zijn binnen het plangebied enkele bestaande bos- en natuurgebieden aanwezig, die niet binnen de EHS vallen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0023.png"

Figuur 37: Huidige situatie: Geen onderdeel EHS, wel bestaande bos- en natuurgebieden (lichtgroen) buiten de EHS (Provincie Overijssel, herbegrenzing EHS, concept sept. 2007)

Natuurwaarden en landschapselementen

Voor de beschrijving van de huidige situatie is met name gebruik gemaakt van het flora- en faunaonderzoek van Eelerwoude en de Ecoscan van Royal Haskoning.

De ecosystemen van de essencomplexen (met bijbehorende akker- en weidegronden) behoorden rond 1850 tot de soortenrijkste van ons land. In de huidige situatie bestaat de Usseler Es echter zo goed als geheel uit een hoogproductief agrarisch landschap. Slechts een klein deel van de es- en houtwallenstructuren is behouden gebleven in de krans van de es. Hierdoor is in vergelijking met het verleden nog slechts een klein deel van de oorspronkelijke flora en fauna aanwezig.

Op de bolling van de Usseler Es is een akkercomplex gelegen. Het merendeel van de agrarische percelen is in gebruik als maïsakker en enkelen als grasland. Kleine aantallen koeien, schapen en paarden grazen er. Enkele percelen liggen braak en zijn verruigd. Er is weinig open water, alleen enkele sloten, die voornamelijk in de krans van de es zijn gelegen. Verder zijn er enkele poelen aanwezig. Door het halfopen landschap stroomt de genormaliseerde beek de Usselerstroom. De beek is geheel beschoeid waardoor natuurvriendelijke oevers afwezig zijn. Oude meanders van de beek zijn geheel rechtgetrokken. De beek wordt wel nog getypeerd als natuurlijk water. De oost- en westzijden (de krans) van het plangebied bestaan uit een halfopen landschap, waarin oude boerderijen met bosjes, erf- en laanbeplanting en weilanden elkaar afwisselen. De aanwezige bosjes en laanbeplanting bestaan voornamelijk uit oude zomereiken.

5.3.2 Soortenbescherming

Algemeen

Sinds 1 april 2002 regelt de "Flora- en faunawet" de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren. Met de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet is een belangrijk deel van de doorwerking van de Vogel- en Habitatrichtlijn geregeld. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. De "Flora- en faunawet" heeft dan ook belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen.

Onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk van de minister van LNV vrijstelling of ontheffing te krijgen. De wet biedt in artikel 75 de mogelijkheid om ontheffing aan te vragen van overtreding van de verboden uit de artikelen 8 tot en met 18. Ontheffingen worden uitsluitend verleend door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Aanvragen kunnen worden ingediend bij de dienst LASER van het Ministerie. Ontheffingen kunnen alleen worden verleend als aan bepaalde voorwaarden van zorgvuldigheid is voldaan. Wanneer plannen worden ontwikkeld voor ruimtelijke ingrepen of voornemens ontstaan om werkzaamheden uit te voeren, dient vooraf goed te worden beoordeeld of er mogelijke nadelige consequenties voor beschermde inheemse soorten zijn. In beginsel is daarvoor de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk. Het onderhavige bestemmingsplan is een ontwikkelingsplan. Er dient rekening te worden gehouden met de aanwezige beschermde soorten.

Flora

Tijdens het onderzoek van het bureau Eelerwoude in 2004 zijn geen beschermde soorten waargenomen. Mogelijk komen enkele algemene soorten zoals grasklokje wel voor. Zwaarder beschermde vaatplanten worden zowel op de bolling van de es als in de randzone echter niet verwacht, omdat potentieel geschikte groeiplaatsen ontbreken.

Vogels

Binnen het plangebied zijn in 2004 van tenminste 38 broedvogelsoorten territoria vastgesteld, waarvan zeven soorten van de Rode Lijst (boerenzwaluw, grauwe vliegenvanger, huismus, kneu, ringmus, patrijs en veldleeuwerik). De meeste broedvogels werden aangetroffen in de krans rondom de erven met oude erfbeplanting en bosjes. Van de bosuil wordt de aanwezigheid vermoed op basis van informatie van omwonenden. Ook is het waarschijnlijk dat de buizerd en de torenvalk in of vlakbij het onderzoeksgebied hebben gebroed. Tabel 24 geeft een overzicht van de aangetroffen soorten en de aantallen.

Soort   Aantal   Soort   Aantal  
Boerenzwaluw   +   Patrijs   5  
Boomklever   5   Pimpelmees   13  
Boomkruiper   1   Ringmus   +  
Bosrietzanger   1   Roodborst   13  
Bosuil   ?   Scholekster   1  
Buizerd   0-1   Spreeuw   +  
Ekster   2   Staartmees   1  
Fazant   4   Tjiftjaf   28  
Fitis   1   Torenvalk   0-1  
Grasmus   6   Tuinfluiter   4  
Grauwe vliegenvanger   1   Veldleeuwerik   2  
Groenling   3   Vink   21  
Heggemus   9   Waterhoen   1  
Houtduif   14   Wilde eend   1  
Huismus   +   Winterkoning   34  
Kauw   +   Witte kwikstaart   3  
Kievit   9   Zanglijster   4  
Kneu   1   Zwarte kraai   3  
Koolmees   28   Zwarte roodstaart   1  
Kuifmees   1   Zwartkop   15  
Merel   26      

Tabel 38: Aangetroffen vogelsoorten en aantallen (bron: Eelerwoude, 2004)

Het open agrarische gebied, de bolling, is minder vogelrijk en slechts geschikt voor een beperkt aantal broedvogelsoorten zoals kievit, scholekster, veldleeuwerik en patrijs. De aanwezigheid van patrijs en veldleeuwerik geeft aan dat het gebied nog potenties heeft voor akkervogels, al vormen de soortenrijkdom en de aangetroffen aantallen waarschijnlijk nog maar een fractie van de vroegere situatie. De akkervogels concentreren zich nu in één groep centraal op het grote open akkercomplex. De randen lijken te worden gemeden door de verstorende werking van omringende wegen, bebouwing en opgaande beplanting (i.v.m. predatoren).

Vleermuizen

Tijdens het onderzoek in 2004 zijn vijf soorten vleermuizen aangetroffen, namelijk: baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis. Mogelijk is ook de grootoorvleermuis waargenomen. Deze soort is echter niet met zekerheid gedetermineerd. Op basis van literatuurgegevens kan ook de ruige dwergvleermuis in het gebied verwacht worden. Er zijn geen kolonieplaatsen aangetroffen.

Gelet op het aanbod van potentieel geschikt vleermuisbiotoop en in verhouding met vergelijkbaar biotoop in de omgeving vallen zowel de soortenrijkdom als de aangetroffen aantallen tegen. Met name in het westelijk deel van het onderzoeksgebied, waar veel gebouwen en oude beplanting voorkomen is veel potentieel leefgebied aanwezig. Dit in tegenstelling tot de omgeving op en direct rond het open akkercomplex, waar nauwelijks vleermuizen te verwachten zijn. Hier werden ook geen vleermuizen aangetroffen. Een overzicht van alle waarnemingen is gegeven in onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0024.png"

Figuur 39: Totaaloverzicht waarnemingen van vleermuizen (Eelerwoude 2004)

De meeste waarnemingen betroffen foeragerende vleermuizen. Zij zijn voornamelijk waargenomen langs opgaande begroeiing, zoals langs de Westerval en rond een aantal erven. De aantallen zijn klein. De Usselerstroom in het onderzoeksgebied heeft voor zover bekend geen betekenis als foerageergebied voor soorten als de watervleermuis. De bosrand van het oude bosje in combinatie met de laanbeplanting nabij de school heeft een beperkte betekenis als foerageergebied voor de laatvlieger. Mogelijk is hier ook een grootoorvleermuis waargenomen. In de omgeving van de Usselerrondweg zijn twee foeragerende baardvleermuizen waargenomen.

Met betrekking tot vliegroutes is de bosrand van het oude bosje in combinatie met de laanbeplanting nabij de school aan de oostzijde van betekenis voor de laatvlieger. Overige vliegroutes werden nauwelijks vastgesteld.

De meeste waarnemingen betroffen de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Beide soorten verblijven voornamelijk in gebouwen. Gezien het feit dat nauwelijks vliegroutes werden vastgesteld, kan verwacht worden dat deze soorten vooral afkomstig zijn van bebouwing binnen het plangebied. De verblijfplaats van de foeragerende baardvleermuizen, een typische bosbewonende soort, kon niet worden vastgesteld (Eelerwoude, 2004).

Grondgebonden zoogdieren

Tijdens het onderzoek in 2004 zijn de volgende soorten aangetroffen: bosmuis, dwergmuis, egel, haas, mol, rosse woelmuis (alle opgenomen in tabel 1 Ff-wet) en muskusrat. Omwonenden geven waarnemingen van de steenmarter (tabel 2 Ff-wet) en het ree (tabel 1 Ff-wet) aan. Gelet op de aanwezigheid van de omringende drukke verkeerswegen, kan worden uitgesloten dat een (levensvatbare) reeënpopulatie voorkomt. De waarneming van de steenmarter heeft betrekking op de woning aan de Harberinksweg, waar regelmatig sprake is van overlast. Daarnaast kan op basis van literatuur en het habitat de aanwezigheid verwacht worden van aardmuis, bunzing, dwergspitsmuis, gewone bosspitsmuis, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, voswezel, woelrat (alle tabel 1 Ff-wet), eekhoorn (tabel 2 Ff-wet), huismuis en bruine rat. De veldspitsmuis is tijdens het onderzoek niet aangetroffen en wordt ook niet in het plangebied verwacht.

Vissen

De visfauna binnen het plangebied concentreert zich in de beek de Usselerstroom. In de Usselerstroom zijn in 2001 door middel van elektrisch vissen tenminste 12 vissoorten vastgesteld, waaronder het bermpje, de kroeskarper en de serpeling. Van deze soorten is alleen het bermpje opgenomen in de Flora- en faunawet (tabel 2). De overige twee soorten staan beide op de Rode Lijst als kwetsbaar. De aanwezigheid van deze soorten maakt dat de Usselerstroom moet worden gekarakteriseerd als vrij bijzonder.

Amfibieën en reptielen

Geschikt voortplantingsbiotoop voor amfibieën komt binnen het plangebied slechts in beperkte mate voor. Het gaat om enkele poelen en tuinvijvers. Allen de bruine kikker werd tijdens onderzoek in 2004 met zekerheid vastgesteld. Omwonenden maken melding van veel exemplaren van de gewone pad. Ook overige algemeen beschermde soorten zoals de middelste groene kikker en de kleine watersalamander worden in het plangebied verwacht. Naar verwachting komt de poelkikker (tabel 3 Ff-wet) niet voor in het plangebied. Deze soort leeft in omvangrijkere, voedselarme en schone wateren. Dit habitat is niet aanwezig in het plangebied. Bovendien zijn uit het verleden geen waarnemingen van poelkikkers uit deze omgeving bekend. Ook overige zwaar beschermde soorten zoals de boomkikker en de kamsalamander worden vanwege het ontbreken van geschikt habitat niet in het gebied verwacht. Reptielen zijn niet waargenomen en komen zeer waarschijnlijk niet voor.

Overige soorten

Er zijn geen overige beschermde of bijzondere soorten aangetroffen. Gelet op de aanwezige biotopen en de zeldzaamheid van de meeste overige soorten, is het ook niet waarschijnlijk dat er beschermde soorten uit deze diergroepen op en rond de Usseler Es-noord voorkomen.

Ecologische verbindingen

De ecologische verbindingen zijn zowel van belang voor relatief kleine verplaatsingen binnen het plangebied als tussen het plangebied en de omgeving. Binnen het plangebied bestaan ecologische verbindingszones die worden gevormd door aaneengesloten boomsingels, houtwallen, de beek en losse landschapselementen zoals bosjes. Deze komen met name voor in de krans van de es. Op de es ontbreken ecologische verbindingen grotendeels.

Tussen het plangebied en de omgeving bestaan nauwelijks ecologische verbindingen, doordat het plangebied aan alle kanten omgeven is door vrij drukke wegen. Wel zijn op enkele plaatsen opgaande begroeiingen aanwezig, die soorten als vleermuizen over de wegen kunnen leiden.

Mitigerende maatregelen

  • 1. Veel van de effecten op beschermde soorten kunnen verzacht of voorkomen worden door het nemen van aanvullende maatregelen. Uit de ecoscan (Royal Haskoning, 2008) zijn enkele verplichte mitigerende maatregelen naar voren gekomen. Het betreft de volgende maatregelen:
    - Met betrekking tot broedvogels dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden, of dienen de voor het broedseizoen te starten en continu doorgezet te worden. Voor de aanvang van de werkzaamheden dient het plangebied te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van broedvogels. Voor een begrip als broedseizoen is geen standaardperiode te hanteren. Afhankelijk van de soort en de weersomstandigheden kunnen soorten veel eerder of juist later broeden dan normaal het geval zou zijn. Vaak wordt als indicatie de periode 15 maart t/m juli aangegeven.
  • 2. Verdwijnen open bolling is niets tegen te doen, behalve natuurgebiedje inrichten waardoor een deel van het open gebied wordt behouden.

  • 3. Met betrekking tot vleermuizen kan de uitstraling van licht zoveel mogelijk beperkt worden. Dit kan ten eerste gedaan worden door zo min mogelijk verlichting aan te brengen en deze aanwezige verlichting alleen te ontsteken wanneer dit nodig is. Ten tweede kan de uitstraling van licht beperkt worden door het gebruik van aangepaste armaturen die het licht naar binnen en naar beneden richten.

Aanvullende maatregelen ten behoeve van natuur

De gemeente Enschede heeft Royal Haskoning onderzoek laten doen naar de mogelijkheden voor natuurontwikkeling en –beheer op de Usseler es noord. Dit is uitgewerkt in de rapportage 'Uitwerking flora- en faunavoorzieningen Bedrijventerrein Usseler es' (Royal Haskoning, 2008). Onderstaand worden de maatregelen uit deze rapportage kort beschreven.

1. Variabele profielen van wadi's, sloten en/of greppels

Een wadi is een buffering- en infiltratievoorziening die tijdelijk gevuld is met regenwater. Op de Usseler es worden wadi's toegepast voor het afvoeren van hemelwater. De verwachting is dat er alleen in het geval van een zware bui een aantal dagen water zal staan in de wadi. In het kader van natuurontwikkeling wordt aangeraden variatie in de hellingshoeken van de oevers aan te brengen en afwisselend ondiepe en diepere plekken te creëren. Zo wordt een nog aantrekkelijker biotoop geschapen voor zeldzame planten en verschillende soorten amfibieën. Door het terrein verspreid, moeten greppels en sloten aangelegd worden. Hiervoor geldt dezelfde ecologische aanbeveling van het aanbrengen van variatie in de hellingshoeken van de oevers. Aangenomen wordt dat hier vaker water in zal staan dan in het wadisysteem, waardoor verwacht wordt dat voornamelijk amfibieën hier hun voordeel uit halen.

2. Ecologische oevers en natuurlijke vijvers

Voor de afvoer van het regenwater van daken en opvang/afvoer van regenwater van wegen en terreinoppervlakken wordt een wadisysteem aangelegd. De aanleg van één of meer overstortvijvers, bijvoorbeeld in de westkrans, heeft voor de ecologie van het bedrijventerrein een toegevoegde waarde. Door het aanleggen van dergelijke natuurlijke vijvers wordt een biotoop geschapen waar vissen, amfibieën, planten en vogels kunnen leven. Voor de oevers van deze waterpartijen geldt dat ook deze bijvoorkeur ecologisch worden aangelegd en beheerd. Naast een ecologische functie kunnen de vijvers een functionele rol vervullen door als bluswatervoorziening voor het bedrijventerrein te fungeren.

3. Cultuurhistorische houtwallen

Tijdens de ruilverkavelingen zijn veel houtwallen verwijderd en verdween er een typisch element uit het landschap. Daarnaast verdween er ook een stukje cultuurhistorie en natuur. Door tijdens de aanleg van het bedrijventerrein Usseler es houtwallen te creëren, worden deze aspecten weer hersteld en krijgt het terrein een meerwaarde.

Het landschap biedt een gevarieerder aanbod voor plant- en diersoorten (creëren microklimaten. Bij de aanplant is het van belang dat er aangeplant wordt met soorten die van oorsprong ook in Twente voorkwamen. Door aanplant van de houtwallen wordt de cultuurhistorie behouden en de biodiversiteit in het gebied vergroot.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0025.png"

Figuur 40: Overzicht geplande houtwallen en suggesties voor extra houtwallen en erfafscheidingen

In bovenstaande figuur staan de locaties weergegeven van de reeds geplande houtwallen en suggesties voor de extra houtwallen en extra ecologische afscheidingen. De toegevoegde waarde van de extra verbindingen is dat zij als eerste een verbinding tussen verschillende (bestaande) houtwallen en bossages fungeren. Ten tweede vormen zij zelf een biotoop voor verschillende dier- en plantensoorten. De ecologische afscheiding aan de zuidkant van het bedrijventerrein kan als verbindingstructuur fungeren tussen de oost- en westkrans. Dieren die zich langs het bedrijventerrein willen verplaatsen kunnen zo, door de houtwallen en lage beplanting te volgen, het gebied passeren. Om visueel een open es te behouden wordt aangeraden deze haag elke twee jaar weer terug te zetten tot 1,5 meter boven het maaiveld.

4. Ecologische inrichting berm Mauritsbosje

Bij de ecologische inrichting van het Mauritsbosje wordt tevens rekening gehouden met de toepassing van inheemse plantensoorten ten behoeve van vlinders, vogels en vleermuizen. Dit wordt bereikt door over de hele lengte van de weg in de berm verschillende biotopen aan te bieden en rekening te houden met de specifieke habitateisen van inheemse plantensoorten. Door de weg niet in het midden aan te leggen en de berm aan de noordzijde van de weg slechts enkele meters breed te laten, komt er meer oppervlakte beschikbaar aan de zuidzijde van de weg. Voor de noordzijde wordt een gevarieerde bermbeplanting aangeraden van Vlier- en Lijsterbes, Krent en Mei- en Sleedoorn. Voor de bredere zuidzijde kan gekozen worden voor achtereenvolgende stroken van bijvoorbeeld een heischraal grasland, een kalkrijk gebied, een ondiepe poel, en in het Mauritsbosje zelf meerdere Vlierbesstruiken zodat een dichte vegetatiestructuur ontstaat'.

5. Natuurontwikkeling Haaksbergerstraat, zoals bloemrijke bermen, ecologisch beheer en

vlinderheuvel

In het gebied tussen de Haaksbergerstraat en de RW 35 kan een natuurgebied(je) (circa 600x150 meter, ongeveer 8 á 9 ha) aangelegd worden. Bij de aanleg van dat terrein aan de Haaksbergerstraat kan rekening gehouden worden met het behoud van een open esstructuur door vooral de aanplant van struiken en houtige gewassen aan te bevelen in plaats van boomsoorten van groot formaat. Bij de aanleg wordt geadviseerd op verschillende locaties Stinzeflora aan te planten, om rekening te houden met de relatie van planten met hun mogelijke bestuivers, en te voorkomen dat er een monocultuur van één of twee dominante plantensoorten ontstaat. Om een hogere verscheidenheid te realiseren wordt verarming van de grond aangeraden door het deels afgraven van de voedselrijke bovenlaag en het daarna aanbrengen van een voedselarme zandgrond. Deze oppervlakten kunnen dan ingezaaid worden met de typische plantensoorten die het goed doen op voedselarme bodemtypen.

Bij het planten en inzaaien kan rekening gehouden worden met enkele zeldzame vlindersoorten die nog in zuidoost Overijssel voorkomen, zoals Bont Dikkopje, Kleine ijsvogelvlinder, Grote weerschijnvlinder en de Bruine vuurvlinder. Ook de aanleg van een vlinderheuvel van mergel is in dit kader aanbevelenswaardig.

Voor het in stand houden van een open structuur en voor het behoud van de diversiteit aan plantensoorten is het noodzakelijk om het gebied ecologisch te beheren door gefaseerd maaibeleid, eventueel begrazing, of een combinatie van beide.

Een gedetailleerde beschrijving van de inrichtings- en beheermogelijkheden is terug te vinden in de rapportage (Uitwerking flora- en faunavoorzieningen bedrijventerrein Usseler es, 2008).

6. Ecologische verbindingen amfibieën en reptielen en grondgebonden zoogdieren

Het gebied Usseler Es ligt tussen Boekelerhoek/Tesinklanden en Helmerhoek/Usseler veen. Door op een aantal plaatsen faunapassages voor de aanwezige soorten in het gebied aan te leggen, wordt voorkomen dat de verbinding tussen deze gebieden gesloten wordt. Voorgesteld wordt om de dieren langs de zuidzijde van de bolling te geleiden en daar verbindingen aan te leggen, evenals een verbinding aan de noordoostzijde van het gebied. In figuur 29 zijn de voorgestelde verbindingen met letters aangegeven; het betreft de volgende verbindingen:

  • onder de Haaksbergerstraat (C, D) om het toekomstig natuurgebied en de bolling van de Usseler es noord met elkaar te verbinden;
  • aanpassing van het viaduct Haaksbergerstraat kruisend met de A35 (B1) en ecologisch aanpassen van de nog te realiseren fietsverbinding over de RW35 (B2);
  • aanpassing van de aanwezige tunnel gelegen in de Oostkrans die onder de Westerval doorgaat (A) (indien deze tunnel niet breed genoeg is, kan er een extra verbinding naast de tunnel aangelegd worden);
  • aanbrengen van loopstroken in duikers en bruggen (E,F,G) voor verschillende kleinere diersoorten op de locaties waar de Usselerstroom de Usseler rondweg, de Haaksbergerstraat en de R35 kruist.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0026.png"

Figuur 41: Overzicht van de locaties van de faunapassages

7. Ecologische erfafscheidingen

Bij de constructie van erfafscheidingen kan rekening gehouden worden met de materiaalkeuze voor de ecologie. In plaats van een hekwerk kan er bijvoorbeeld een meidoornhaag aangelegd worden in de vorm van een vlechtheg, kunnen wilgenteenschuttingen geplaatst worden, of kan een kastanjehouten palissade geplaatst worden die beplant wordt met Hop of Wilde Kamperfoelie. Deze houtige gewassen zullen een extra dimensie geven aan de afscheiding door hun bloeiwijze en kunnen bescherming bieden aan verschillende diersoorten.

8. Vegetatiedaken

Door een laag grond op de daken van de geplande bedrijfspanden aan te brengen en hier planten op aan te brengen, worden verschillende doelen bereikt:

  • een aantrekkelijk uiterlijk wordt gecreëerd, dit kan een positief effect hebben op het aantal mensen dat het terrein bezoekt;
  • regenwater wordt vastgehouden op het dak en dit hoeft niet toegevoegd te worden aan het berging-/infiltratie-/wadi waterafvoersysteem;
  • op het dak wordt een ecosysteem gecreëerd dat er anders niet geweest zou zijn ((vogel- en insectensoorten).

Twee soorten vegetatiedaken worden onderscheiden: extensief dak (een dunne voorgefabriceerde mat wordt aangebracht op het dak begroeid met mossen, vetplanten of kruiden, eenvoudig in onderhoud) en intensief vegetatiedak (aanbrengen substraatlaag van meer dan 20 cm dikte, bouwvergunningplichtig, hoog isolerend vermogen, met een beplanting van gazonplanten, lage planten, kleine heesters en struiken).

9. Vleermuis-, vogel- en insectenkasten

De aanleg van nestel en verblijfsplaatsen draagt positief bij aan de mogelijkheden voor de verschillende aanwezige soorten om op de Usseler es te leven. Voorgesteld wordt om de volgende voorzieningen aan te leggen:

  • Vleermuiskasten: door speciale nestkasten voor vleermuizen op te hangen ontstaan er dagrustplaatsen voor met name bosbewonende vleermuizen. Voor gebruik als kraamkamer en/of overwinteringplaats zijn zij niet geschikt. Voor deze activiteiten zijn nog steeds grotere bomen met holen en spleten vereist.
  • Nestel en verblijfplaatsen voor diverse groepen van vogelsoorten, opgehangen aan bomen, in houtwallen en/of aan gebouwen. Ook kunnen tijdens de constructie van gebouwen verschillende nestkasten en broed- en verblijfruimtes voor vogels aangebracht worden.

Insecten: vlinderkasten en insectenkasten, aangebracht in een houtwal of aan een gebouw.

10. Vleermuisbunker, oeverzwaluwwand

Om vleermuizen overwinteringgelegenheid aan te bieden, kan een vleermuisbunker worden aangelegd, die wat de constructie betreft aan een aantal voorwaarden dient te voldoen. In verband met de waargenomen aanwezigheid van vleermuizen in de buurt van de Oude Usseler school is die omgeving een geschikte locatie voor een vleermuisbunker.

11. Oeverzwaluwwand

Voor de Oeverzwaluw kan een steile kunstmatige of natuurlijke wand aangelegd worden nabij water. Deze dient aan allerlei constructie en omgevingsvoorwaarden te voldoen; hoge vegetatie mag bijvoorbeeld niet tegenover de wand aanwezig zijn. De Oeverzwaluwwand zou geplaatst kunnen naast de Usselerstroom langs de oostkrans of naast de eventueel aan te leggen overstortvijver(s) in de westkrans van het gebied. Deze laatste locatie is echter minder optimaal omdat hier in de zomer niet altijd water zal staan.

5.3.3 Ontheffingsverzoek

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken zal er een ontheffingsverzoek worden gedaan bij het Ministerie van LNV.

(Voor de rapporten m.b.t. ecologie, zie: Bijlage 2, H.1 t/m 4.).