direct naar inhoud van 5.2 Water
Plan: Usseler Es 2008
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0153.20070132-0001

5.2 Water

5.2.1 Inleiding

In dit plan is aangegeven hoe om te gaan met de waterhuishouding binnen het te ontwikkelen bedrijventerrein “Usseler Es”. Eerst is de huidige situatie van het gebied beschreven en is een korte toelichting gegeven op de “Watervisie Enschede”. Vervolgens zijn de belangrijkste randvoorwaarden genoemd. Aansluitend is de opzet gemaakt van de waterhuishouding beschreven, bestaande uit de regenwateropvang, oppervlaktewater, afvalwaterafvoer en ontwatering.

5.2.2 Huidige situatie

Hoogteverloop en landschap

Het gebied is gelegen op een Es, die aan de zuidzijde van de Rijksweg A35 doorloopt (zie onderstaande figuur Hoogteverloop). Het hoogste punt van de esbolling ligt op ongeveer 36 meter plus NAP. De bolling bestaat uit akkerbouwgebieden zonder verticale beplantingen als boomgroepen en boomrijen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0012.png"

Figuur 25: Hoogteverloop [Bron: geohydrologisch onderzoek MOS Grondmechanica]

Rondom de "bolling" ligt de "krans" van de Es. De afwisseling van boerderijen, kavelbeplantingen, laanbeplantingen, open grasweiden en akkerbouwgebiedjes is kenmerkend voor deze zone. Naar het oosten loopt de "krans" af naar plusminus 32 m +NAP. In het westen loopt het maaiveld af naar circa 28 m +NAP en in het noorden naar 31 m +NAP.

Bodemeigenschappen en grondwaterstanden

Op basis van de “Geologische kaart van Nederland”, de “Bodemkaart van Nederland” en het geohydrologisch onderzoek d.d. 7 april 2005, uitgevoerd door MOS Grondmechanica, zijn de bodemeigenschappen en grondwaterstanden uiteengezet.

Onder de “bolling” van de Es en de noordwestelijke rand langs de Westerval bestaat de ondergrond uit een slecht waterdoorlatende keileemlaag met daarboven een dekzandlaag van minder dan 2 meter dik (Zie figuur: Globale bodemopbouw).

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0013.png"

Figuur 26: Globale bodemopbouw

In de rest van het plangebied is de (dek)zandlaag dikker dan twee meter. In deze zandlaag komen plaatselijk leem- en/ of veenlagen voor. Onder de zandlaag komt plaatselijk ook keileem voor. In het geohydrologisch onderzoek is de dikte van de zandlaag verder gedetailleerd. In onderstaande Figuur Dikte topzandlaag is te zien dat de zandlaag aan de westrand van het gebied, ten noorden en oosten van de “es-bolling”, tot aan circa de Usselerstroom, het dunste is (circa 1,5 dik). De zandlaag is, met uitzondering van enkele locaties, nergens dunner dan 1 meter. Dit betekent, dat de waterondoorlatende laag veelal geen belemmering vormt voor de infiltratie van regenwater.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0014.png"

Figuur 27: Dikte topzandlaag [Bron: geohydrologisch onderzoek MOS]

Uit het geohydrologisch onderzoek blijken de aangetroffen topzandlagen in het algemeen te bestaan uit matig fijn zand, zwak ziltig. De doorlatendheid van deze grond is bepaald op 4 m/d aan de westkant, 2, 7 m/d centraal in het gebied en 1 m/d in de oostzijde van het gebied. Voor infiltratie dient de doorlatendheid van de bodem minimaal 1 m/d te zijn.

Volgens de bodemkaart bestaat de dekzandlaag ter hoogte van de “bolling” uit eerdgronden (humushoudende laag van 40 tot 120 cm) met als grondslag lemig fijn zand (Figuur: Samenstelling deklaag). Tijdens een wintersituatie stijgt de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) tot maximaal 80 centimeter minus maaiveld. In de zomer kan de GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) tot meer dan 160 cm -mv wegtrekken.

Ten oosten van de “bolling” liggen veldpodzolgronden (humushoudende laag dunner dan 30 cm) met als grondslag leemarm tot zwak lemig fijn zand. De GHG varieert tussen de 40 en 80 cm -mv en de GLG is minimaal 120 cm -mv. In de uiterste oosthoek liggen beekeergronden (aanwezigheid van kleilagen). Deze gronden worden gekenmerkt door een GHG die tot minder dan 40 cm -mv kan stijgen. De GLG komt overeen met die van de veldpodzolgrond.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0015.png"

Figuur 28: Samenstelling deklaag

Ten westen van de "bolling" lopen de eerdgronden bijna tot de Westerval door. In een smalle rand langs de Westerval liggen veldpodzolgronden. De GHG van deze gronden ligt rond de 30 cm -mv en de GLG rond de 145 cm -mv.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0016.png"

Figuur 29: Gemiddeld hoogste grondwaterstanden [Bron: geohydrologisch onderzoek MOS]

Aan de noordkant van de “bolling” liggen eerdgronden met een GHG van 60 cm -mv en een GLG van 170 cm -mv. In de noordelijkste punt liggen beekeerdgronden met een grondwatertrap III, dat overeenkomt met een GHG van 15 cm -mv en een GLG van 110 m -mv.

Uit het geohydrologisch onderzoek blijken de GHG's lager uit te komen dan de watertrappen op de bodemkaart aangeven. De ingemeten en bepaalde GHG's staan in de Figuur Gemiddeld hoogste grondwaterstanden (zie hierboven).

Oppervlaktewater

In het oosten van het gebied ligt de Usselerstroom (20-11). Deze beek stroomt richting het noorden en mondt via een duiker onder de Westerval uit in het Twentekanaal (zie Figuur beken Usseler Es). In de krans van de es ontstaan twee kleinere beken, waarvan de oostelijke beek (20-11-0-1, Morsbeek) afwatert in de Usselerstroom en de westelijke beek (20-9-2-4) richting het westen stroomt en uitkomt in de vijver van de gemeente (Marssteden). Ten noorden van de Usseler Rondweg ontspringt de Twekkelerbeek (20-9-2-3), die naar het noorden afwatert. Parallel aan de Rijksweg A35 loopt een bermsloot, die in westelijke richting afwatert.

Watersysteem

Op de bolling van de es kan het regenwater de bodem intrekken. Tevens stroomt een gedeelte van het regenwater via het oppervlak en de aanwezige greppels af naar de lager gelegen krans, waar het door de beken wordt afgevoerd. Het water, dat in de bodem infiltreert, komt terecht in het grondwater. Vanwege de keileemlagen komt niet al het geïnfiltreerde water ten goede aan de diepe grondwaterstromen. Het grondwater, dat ondiep afstroomt, komt in de krans van de es naar boven en wordt afgevangen door de aanwezige beken. De diepe grondwaterstromen leggen een grotere afstand af en kunnen uiteindelijk als kwel aan het oppervlak komen of worden afgevangen door aanwezige beken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0017.png"

Figuur 30: Beken Usseler Es

Ook in de krans zal het regenwater in de bodem infiltreren. Het verschil met de bolling is, dat de grondwaterstanden niet zo diep onder het maaiveld liggen (vooral tijdens winterperioden), waardoor een deel van het grondwater via de twee beken wordt afgevoerd. Tijdens natte perioden voeren de beken meer grondwater af, waarmee de grondwaterstand natuurlijk beheerst wordt. Tijdens droge situaties in de zomer staan de beken veelal droog. Bij hevige neerslag voeren de beken, naast grondwater, ook regenwater af, dat via het oppervlak in de beken stroomt.

Riolering

In het gebied loopt onder de bolling van de es van zuid naar noord een persleiding van het waterschap. Deze vervoert afvalwater vanuit de zuidwijken naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Ten noordwesten van de Westerval ligt een (verbeterd) gescheiden stelsel (bedrijventerrein Marssteden). Ten noordoosten van de Usselerrondweg (’t Zwering en Josink Es) ligt een verbeterd gescheiden rioolstelsel en ten zuidoosten van de Rijksweg A35 (Zuidwijken) ligt een gescheiden stelsel. In Usselo ligt drukriolering voor afvalwater en een systeem van greppels, sloten en duikers voor hemelwater en grondwater.

Drainage

Omdat de Westerval een stuk is verlaagd, met het laagste punt bij het viaduct Rembrandtlaan, is onder de Westerval drainage aangelegd, waarmee de grondwaterstand wordt verlaagd. Per jaar wordt circa 700.000 m3 water aan de bodem onttrokken en afgevoerd. De onttrekking heeft mogelijk invloed op het grondwatersysteem binnen het plangebied “Usseler Es”.

5.2.3 Watervisie gemeente Enschede

In oktober 2002 is de “Watervisie Enschede- de blauwe aders terug in de stad” door de gemeenteraad van Enschede vastgesteld. De missie van de watervisie is het aanzetten tot het aanpakken van problemen en het grijpen van de kansen in het stedelijk waterbeheer.

Ter ondersteuning van de missie zijn in de watervisie drie doelstellingen opgenomen:

  • 1. Water moet een leidende rol vervullen bij de ruimtelijke inrichting;
  • 2. Samenwerking tussen de verschillende ‘waterpartners’ (bijvoorbeeld het waterschap), de gemeentelijke organisatie en samenwerking tussen de gemeente en de bewoners moet bevorderd worden;
  • 3. Water moet weer in de belevingswereld van de bewoners komen.

Om de watervisie in 2030 werkelijkheid te kunnen laten zijn, moet de visie een samenhangend geheel vormen en moeten betrokken partijen intensief met elkaar samenwerken. Binnen de visie is een geraamte neergezet, die de basis vormt voor de uitwerking van de visie.

  • Het geraamte van de visie bestaat uit een viertal leidende principes, die zijn afgeleid uit de richtlijnen die de rijksoverheid heeft vastgesteld voor het waterbeheer in Nederland:Vasthouden (infiltreren), bergen en afvoeren: regenwater dient zo min mogelijk uit het stedelijk gebied afgevoerd te worden. De achtergrond van dit principe is dat door versnelde afvoer van hemelwater stroomafwaarts problemen in de waterhuishouding ontstaan.
  • Herstellen van de nierwerking: het zoveel mogelijk scheiden van schone en vuile waterstromen, waarbij het schone water mogelijkheden biedt tot (her)gebruik en het vuile water afgevoerd moet worden naar de zuivering.
  • Een doelmatige waterketen: minimaliseren van de kosten van de keten, het minimaliseren van de negatieve effecten op het milieu en het vergroten van de dienstverlening naar de gebruiker van de waterketen.
  • Beleving van water: door water een expliciete rol te geven in de leefomgeving van mensen, kan de kwaliteit van de ruimtelijke inrichting worden vergroot.

De principes zijn vertaald naar een beeld voor het waterbeheer in 2030 in de gemeente Enschede. De zogenaamde 'blauwe aders' (waterlopen) vormen de hoofdstructuur (Figuur: Zoekgebieden voor blauwe aders in Enschede) van het beeld. Binnen het gebied is geen 'blauwe ader' opgenomen.

Mogelijke locaties voor het terugbrengen van waterlopen zijn de ‘blauwe ader’ evenwijdig aan de spoorlijn (nr. 3); een afvoer vanaf de wijk Velve-Lindenhof naar het Dinkelsysteem in het oosten (nr. 1); de reconstructie van de Roombeek (nr. 2); een afvoer vanaf het centrum naar het havengebied (nr. 4) en een afvoer vanaf het centrum (nr. 5) en vanaf Enschede-Zuid naar de Rijksweg A35 (nr. 6). De ambitie is om de aders bovengronds aan te leggen.

Op het niveau van de wijken en percelen moet het regenwater afgekoppeld worden. Aanvullend moet het regenwater zoveel mogelijk binnen een plangebied (stedelijk gebied) geïnfiltreerd, geborgen en zichtbaar gemaakt worden. Wanneer binnen de wijk niet voldoende ruimte is voor berging- en infiltratievoorzieningen, kan het water boven- of ondergronds afgevoerd worden naar de beken (blauwe aders) rondom het gebied. Aan de rand van de stad dient het water alsnog opgevangen te worden in retentiegebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0018.png"

Figuur 31: Zoekgebieden voor blauwe aders in Enschede

5.2.4 Randvoorwaarden

Het waterbeleid in de 21e eeuw, de 4e nota Waterhuishouding, het Waterhuishoudingsplan Overijssel 2000+, het Waterbeheersplan Regge en Dinkel en de gemeentelijke Watervisie zijn voor de discipline water de belangrijkste beleidsnota’s. Een doelstelling van de watervisie is om het water een leidende rol te laten vervullen bij de inrichting van de ruimte. Dit is dan ook het uitgangspunt bij de ontwikkeling van de Usseler Es.

Oppervlaktewater

  • De functie van de (waterschaps-) beken binnen het plangebied moet gehandhaafd blijven; dat wil zeggen dat de stroomgebieden, inclusief de bestaande afvoerpunten, behouden moeten worden;
  • De belevingskwaliteit van de beken, vooral de Usselerstroom, moet versterkt en geoptimaliseerd worden;
  • Ook de resterende beken moeten zoveel mogelijk een rol spelen in de beleving en ingezet worden t.b.v. de ecologische planstructuur;
  • Het water in het plangebied moet worden ingezet ten behoeve van de landelijke en stedelijke ecologische structuur. Dit geldt zowel voor de bestaande beken in het plangebied als voor nieuwe voorzieningen bijv. ten behoeve van de infiltratie, berging en afvoer van water;
  • Toepassen van Stedelijke afvoernorm 2,4 L/sec/ha (incl. kwelwater) - aandachtspunt afvoernorm bermsloot Rijkswaterstaat in zuidwesthoek plangebied.

Bodem en Ontwatering

  • De bebouwing, wegen en percelen dienen voldoende ontwatering te hebben (verschil tussen maaiveld en grondwater);
  • Voor het bereiken van ontwatering gaat de voorkeur uit naar (beperkt) ophogen en/of kruipruimteloos bouwen;
  • Bij eventueel toepassen van drainage géén permanente verlaging van de grondwaterstand: tijdens zomer geen afvoer van grondwater;
  • Gesloten grondbalans, aandachtspunten hierbij zijn ontwateringdiepte en archeologie.

Grondwater

  • Er moet grondwater neutraal gebouwd worden.
  • Er mag geen grondwater aan het gebied onttrokken worden;
  • Toepassen van ‘duurzaam beheer grondwater’, dit houdt in dat de grondwaterstand niet permanent verlaagd mag worden, met behulp van actieve bemaling/ drainage (dit betekent kruipruimteloos bouwen);
  • Een lokale grondwaterstandverlaging met behulp van drainage mag, mits maatwerk.

Hemelwater

  • Binnen het gebied het regenwater van daken en wegen volledig bovengronds scheiden van afvalwater;
  • Zoveel mogelijk regenwater binnen het plangebied bergen (en infiltreren wanneer mogelijk), voordat het wordt afgevoerd. Voor het bergen van water zijn diverse oplossingen mogelijk: wadi’s, greppels, verlaagde groenzones, molgoten, vijvers, bergingsbakken, (infiltratietransport)rioolleidingen. Voor nieuwe stedelijke gebieden geldt de eis om de waterschapsbui van 40 mm in 75 minuten geheel te bergen;
  • Regenwater van wegen (vervuild) mag niet rechtstreeks naar oppervlaktewater afgevoerd worden (zie Nota Afkoppelen/ niet afkoppelen van het waterschap). Dit betekent of het wegwater zuiveren of het aanleggen van een verbeterd gescheiden stelsel;
  • Bouwen conform de richtlijnen Duurzaam Bouwen (DuBo-vereisten).

Afvalwater

  • Afvoer van afvalwater via het riool (DWA);
  • Afvoer onder vrij verval;
  • De riolering met behulp van een gemaal aansluiten op de bestaande persleiding van het waterschap. Gebaseerd op de grootte van de afvoer uit de Usseler Es betaalt het project mee aan de persleiding.

Waterschap Regge en Dinkel

Volgens de "Nota afkoppelen / niet afkoppelen" van het waterschap Regge en Dinkel is het op een bedrijventerrein noodzakelijk een VGS toe te passen voor de opvang en zuivering van het wegwater. Het nadeel van een VGS is dat alsnog een groot percentage van de jaarlijkse neerslag naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd en dat de totale waterhuishouding niet eenduidig ingericht kan worden. Je krijgt namelijk een waterhuishouding opgebouwd uit 3 type systemen: afvalwaterafvoer, opvang/ afvoer regenwater van daken en opvang/ afvoer regenwater van wegen/ terreinoppervlakken.

Naar aanleiding van diverse onderzoeken is het beleid van het waterschap Regge en Dinkel, omtrent bedrijventerreinen, aan het veranderen. Uit onderzoek blijkt namelijk dat bovengrondse infiltratievoorzieningen (zoals wadi’s) vervuild regenwater voldoende kunnen zuiveren en dat de verspreiding van de vervuiling beperkt blijft. Voor het bedrijventerrein “Usseler Es” stemt het waterschap in met een watersysteem, dat het regenwater van daken en het regenwater van wegen/ terreinoppervlakken gezamenlijk opvangt en zuivert.

5.2.5 Waterconcept

Op basis van de huidige situatie, de watervisie, randvoorwaarden en ook de ruimtelijke inrichting is gekozen voor het volgende waterconcept:

  • Gescheiden opvang van regen-/ grondwater en afvalwater;
  • Het regenwater van daken en weg/ terreinoppervlakken gezamenlijk vervoeren/ bergen in goten en greppels;
  • Het regenwater gezamenlijk bergen/ infiltreren/ zuiveren in wadi's. Vooral op de “bolling” van de es (lage grondwaterstanden en een goede waterdoorlatende bodem) is zowel boven- als ondergrondse infiltratie mogelijk. In de “krans” is alleen bovengrondse infiltratie mogelijk;
  • Het gezuiverde regenwater bergen in “plas-draszone”. In de uiterste westrand en oostrand zijn de mogelijkheden voor infiltratie gering en is het toepassen van “plas-draszones” of vijvers een betere toepassing;. In verband met een betere zuivering van wadi's en het realiseren van een eenduidig beeld worden uiteindelijk geen “plas-draszone” toegepast. Al het regenwater wordt geborgen en gezuiverd in wadi's;
  • Na overleg met het waterschap is besloten, om ook het regenwater van de hoofdontsluiting op te vangen in het hierboven beschreven watersysteem. Dus er zal geen verbeterd gescheiden stelsel toegepast worden;
  • De bestaande greppels behouden voor een natuurlijke grondwaterstandregulering. Onder de wegen eventueel drainage toepassen, voor het garanderen van een gewenste grondwaterstand.

In de onderstaande Figuur Stroomschema waterconcept is een stroomschema en in de Figuur Tekening waterconcept is een tekening van het concept opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0019.png"

Figuur 32: Stroomschema waterconcept

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0020.png"

Figuur 33: Tekening waterconcept

Regenopvang en Oppervlaktewater

Het waterconcept is nader uitgewerkt in het voorontwerp inrichtingsplan. Om voldoende ruimte te verkrijgen voor de regenwateropvang en oppervlaktewater zijn de inrichting en waterhuishouding steeds op elkaar afgestemd.

Onderstaand is het uiteindelijke systeem voor de regenwateropvang beschreven. Voor deze beschrijving is het gebied opgedeeld in drie deelgebieden: “bolling”, “oostkrans” en “westkrans”. Daarbij zijn ook de oppervlakken genoemd van de watervoorzieningen, die nodig zijn voor de regenwaterberging en die in het inrichtingsplan zijn opgenomen. De regenwaterberging voldoet aan de eis van 40 mm (zie randvoorwaarden).

Gebied 1 :bedrijventerrein “Bolling”

Binnen dit gebied wordt circa 38 hectare aan bedrijven uitgegeven. Uitgangspunt is dat 100% van de kavels wordt verhard. Het oppervlak van de wegen is bepaald op circa 5 ha. Het totaal verhard oppervlak komt hiermee uit op circa 43 ha.

In de openbare profielen wordt aan beide kanten van de weg een greppel toegepast, waarin het regenwater van de verharde oppervlakken (openbaar en uitgeefbaar) opgevangen en afgevoerd kan worden. Het profiel heeft een totale breedte van 4,90 meter en een bodemdiepte van 0,7 m -maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0021.png"

Figuur 34: Profiel greppel

Het regenwater dat via de greppels wordt afgevoerd, wordt geborgen, geïnfiltreerd en gezuiverd. Hiervoor wordt rondom de “bolling” een grote aaneengesloten wadi aangelegd. In de wadi kan maximaal een laag van 40 centimeter komen te staan. Uit berekening blijkt de wadi een totaal oppervlak nodig te hebben van circa 55.000 m2. Dit oppervlak is opgenomen in het voorontwerp inrichtingsplan.

Vanwege de bolling zijn in dit gebied 4 stroomgebieden aanwezig. Dit betekent dat het water naar het noordoosten, noordwesten, zuidoosten en zuidwesten gaat stromen. Bij de nadere inrichting van het gebied wordt per stroomgebied bekeken wat de benodigde bergingscapaciteit van de wadi moet zijn.

Per stroomgebied wordt de wadi aangesloten op een bestaande beek, zodat overtollig regenwater bij zeer extreme neerslaggebeurtenissen (groter dan maatgevende neerslaggebeurtenis) en overtollig grondwater uit de drainage van de wadi kan afstromen naar de beek.

Gebied 2: bedrijventerrein “Oostkrans”

Binnen dit gebied wordt circa 12 hectare aan bedrijven uitgegeven. Uitgangspunt is dat 100% van de kavels wordt verhard. Het oppervlak van de wegen is bepaald op circa 1 ha. Het totaal verhard oppervlak komt hiermee uit op 13 ha.

In de openbare profielen wordt aan beide kanten van de weg een greppel toegepast, waarin het regenwater van de verharde oppervlakken (openbaar en uitgeefbaar) opgevangen en afgevoerd kan worden. Het profiel van deze greppels zijn vergelijkbaar met die van een wadi.

Het regenwater dat via de greppels wordt afgevoerd, wordt in wadi's geborgen, geïnfiltreerd en gezuiverd. Parallel aan de Usselerstroom en aan de zuidzijde van het gebied komen de wadi's te liggen. Ook wordt in dit gebied een aanzienlijk deel van de berging in de greppels gerealiseerd. In de wadi's en berginggreppels kan maximaal een laag van 40 centimeter komen te staan. Uit berekening blijkt dat een wadioppervlak van ruim 17.000 m2 nodig is. Voor de bergingsgreppels is een oppervlak van circa 7.500 m2 nodig. Ook deze oppervlak is opgenomen in het voorontwerp inrichtingsplan.

Voor onderhoud van de Usseler stroom zijn onderhoudstroken nodig. In de huidige situatie ligt aan de oostzijde van de stroom een onderhoudspad. De westzijde van de stroom is ingepland met struiken en bomen. Om de beek ook in de toekomst te kunnen beheren, wordt het onderhoudspad gehandhaafd.

Gebied 3: bedrijventerrein “Westkrans”

Binnen dit gebied wordt circa 5 hectare (exclusief oppervlak parkeergebied) aan nieuwe bedrijven uitgegeven. Uitgangspunt is dat 100% van de kavels wordt verhard. Het oppervlak van de nieuwe en de te vernieuwen wegen is bepaald op circa 2 ha. Het totaal verhard oppervlak komt hiermee uit op circa 7 ha. Bij deze verharde oppervlakken is nog geen rekening gehouden met de eventuele te realiseren parkeerplaats aan de noordzijde van het gebied. Wanneer deze parkeerplaats er komt, zal het verhardingsoppervlak naar boven bijgesteld dienen te worden.

In het gebied liggen een groot aantal bestaande greppels, die naast de ontwatering van het gebied voor een deel worden ingezet voor de berging en zuivering van regenwater. Naast de greppels worden ter hoogte van de uit te geven gebieden wadi's gerealiseerd, waarin het regenwater wordt geborgen, geïnfiltreerd en gezuiverd. In de wadi's en bergingsgreppels kan maximaal een laag van 40 centimeter komen te staan. Het benodigde oppervlak van de wadi's is 7.000 m2 en van de bergingsgreppels 10.000 m2.

Stroomgebieden

Vanwege het hoogteverloop van het gebied en de Usselerstroom kent het gebied circa 6 stroomgebieden (zie Figuur stroomgebieden). De watersystemen van de stroomgebieden functioneren los van elkaar en hebben elk een eigen overlaat/ afvoerpunt (waterloop) nodig. Bij de uitwerking van de waterhuishouding wordt de verdeling van de waterafvoer van het watersysteem, bestaande uit wadi's, greppels en drainages, over de afvoerpunten nader uitgewerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0153.20070132-0001_0022.png"

Figuur 35: Stroomgebieden

Afvalwaterafvoer

Naast het systeem voor de regenwateropvang zal voor de afvoer van het afvalwater een afvalwaterriolering aangelegd worden. De riolering wordt op één punt, ter hoogte van de kruising inrit Josink Es en Usselerrondweg, op de persleiding van het waterschap aangesloten. Binnen het plangebied vindt de afvoer zoveel mogelijk onder vrijverval plaats. Vanwege het hoogteverloop van de es is dat niet helemaal mogelijk. Er zijn enkele gemalen plus persleidingen nodig, die het afvalwater naar het inprikpunt op de persleiding pompen.

Ontwatering (grondwaterbeheersing)

De ontwatering is het verschil tussen het maaiveld en de grondwaterstand. Voor het ontwerp van de ontwatering worden de ontwerpnormen volgens Tabel Ontwateringsnormen aangehouden. Aanvullende eis is dat het bouwpeil van bouwwerken minimaal 0,20 m boven het straatpeil dient te liggen.

Bestemming   Ontwatering m –mv  
Primaire wegen (hoofdontsluiting)   0,9  
Secundaire wegen en erf ontsluiting   0,7  
Bouwwerken met kruipruimte   0,7  
Bouwwerken zonder kruipruimte   0,5  
Groen   0,5  

Figuur 36: Tabel Ontwateringsnormen

Om de gewenste ontwatering te bereiken, wordt het grondwater duurzaam beheerst. Dit houdt in dat de grondwaterstand niet permanent wordt verlaagd. Daarom wordt de ontwatering zoveel mogelijk met behulp van ophogen van het maaiveld, de wegen en gebouwen gewaarborgd. Naast een duurzame grondwaterbeheersing wordt met de volgende punten rekening gehouden:

  • Behoud van hoogteverschillen zoals nu ook aanwezig op Usseler Es;
  • Bestaande percelen, gebouwen, wegen en bomen;
  • Gesloten grondbalans is het streven.

Kijkend naar de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) uit het geohydrologisch onderzoek (Figuur Gemiddeld hoogste grondwaterstanden) kan het gebied opgedeeld worden in 3 maatregelgebieden:

  • GHG dieper dan 1,0/ 0,90 meter minus maaiveld: dit betreft de gehele bolling en de oostelijke hoek van het gebied. In dit gebied zijn geen maatregelen nodig;
  • GHG tussen 1,0 en 0,50 meter minus maaiveld: dit gebied betreft een groot deel van de oostelijke en westelijke krans. In dit gebied zijn maatregelen nodig. Hoogstwaarschijnlijk kan de ontwateringsnorm van de wegen, kavels en gebouwen volledig met behulp van een ophoging tussen de 0 en 0,40 meter gerealiseerd worden;
  • GHG ondieper dan 0,50 meter minus maaiveld: deze gebieden liggen aan de westzijde van de westkrans en de zuidzijde van de oostkrans. In dit gebied zijn de meest ingrijpende maatregelen nodig. Of de ontwateringsnorm volledig met ophogen bereikt kan worden is nog onduidelijk.

Bij de uitwerking van de inrichting en waterhuishouding plan worden de maatregelen, zoals ophogen, voor het bereiken van de ontwateringsnormen verder uitgewerkt. Daarbij zal gekeken worden naar kruipruimteloosbouwen, waarmee de ontwateringsnorm verlaagd kan worden.

Eventueel mag op locaties, waar (veel) ophogen niet mogelijk is, vanwege de bestaande bebouwing, wegen en bomen, drainage toegepast worden. In overleg met waterschap mogen we de hoogste grondwaterstand met circa 0,20 meter aftoppen. Tijdens de zomerperioden mag de drainage geen grondwater afvoeren, maar dient het grondwater met behulp van infiltratie aangevuld te worden.

Tot slot zal bij het realiseren van de ontwateringsnorm naar de huidige situatie gekeken worden. De huidige wegen en gebouwen liggen er namelijk over het algemeen goed bij. Eventueel kan de hoogteligging en dus de ontwatering van deze wegen en gebouwen als richtlijn voor de hoogte van de nieuwe wegen en gebouwen gebruikt worden.